Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Blauw sneeuwhoen

Blauw sneeuwhoen | Dendragapus obscurus

Dusky Grouse | Gallo de las Rocosas

Het blauw sneeuwhoen is de forse hoenderachtige van de binnenlandse Rocky Mountains, van Yukon in het noorden tot New Mexico in het zuiden. Anders dan zijn kustverwant balst het mannetje op de grond, met een dof, gedempt gehoot dat al op honderd meter nauwelijks te horen is. Zijn paarsrode halszakken en rode wenkbrauwkammen zijn dan het enige felle in een verder grijsbruin verenkleed.

Blauw sneeuwhoen (Dendragapus obscurus)
Foto: Matt MacGillivray — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het baltsgeluid bestaat uit vijf tot zeven zachte, lage hoot-noten, zo stil dat ze zelfs op honderd meter afstand nauwelijks hoorbaar zijn; het mannetje herhaalt de reeks urenlang vanaf een vaste, meestal open plek op de grond. Bij het roepen zet hij de paarsrode halszakken en de rode huid boven het oog vol, terwijl de staart gespreid en de nekveren opgezet staan. Bij onraad klinkt een schor kakelend alarm, en kuikens houden met zachte piepjes contact met de hen. Buiten het voorjaar is de soort vrijwel stil, en zelfs de balts wordt makkelijker gezien dan gehoord.

Luister: RoepXC436984

Opname: Bruce Lagerquist — CC BY-NC-SA 4.0 · Salmo Divide Trail, Colville National Forest, Pend Oreille Co., Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Een zware, kortstaartige hoenderachtige met een klein kopje; het mannetje is grijsbruin tot leigrijs, met een vrijwel effen zwarte staart die bij sommige vogels een smalle grijze eindband draagt. Tijdens de balts zet hij rode huid boven het oog en paarsrode, met wit omzoomde halszakken vol, spreidt de staart tot een waaier en richt de nekveren op tot een kraag. Het vrouwtje is bruin met zwarte en witte spikkels, kleiner dan het mannetje en zonder gekleurde halszakken. Juveniele vogels lijken op het vrouwtje maar zijn fijner getekend. In de vlucht is de soort zwaar en log, met korte series snelle vleugelslagen tussen glijfases.

Verwarrings­soorten

Het grauw sneeuwhoen (Dendragapus fuliginosus) is de vrijwel identieke soort van de kustbergen ten westen van het blauw sneeuwhoen; hun areaal overlapt maar op een smalle strook in het binnenland van Brits-Columbia. Daar is het mannetje te onderscheiden aan de kleur van de opgeblazen halszak: paarsrood bij het blauw sneeuwhoen, geelachtig oranje bij het grauw sneeuwhoen. Ook de balts verraadt de soort: het blauw sneeuwhoen staat op de grond en is nauwelijks over meer dan honderd meter te horen, het grauw sneeuwhoen zingt hoog in een boom en draagt tot op kilometers afstand. Vrouwtjes en jonge vogels van de twee soorten zijn in het veld vrijwel niet uit elkaar te houden.

Leefgebied

Bergbos van ponderosaden, lodgepoledennen, populieren en zilverspar, met een open ondergroei waarin de balts goed te volgen is. In de winter trekt hij naar de dichtste, hoogste naaldbossen, waar hij bijna uitsluitend van conifeernaalden leeft; in het vroege voorjaar en de nazomer zakt hij juist af naar warme, droge bitterbrush (een droge westelijke steppestruik) en salieheuvels aan de voet van het gebergte. Boven de boomgrens gebruikt hij het krukhout en de alpiene weiden voor voedsel in de zomer. Volledig open steppe zonder bomen mijdt hij evenzeer als gesloten laaglandbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel in de Rocky Mountains en de aangrenzende gebergten van het westen, van Yukon en het zuiden van Brits-Columbia en Alberta door Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming, Utah, Colorado en Nevada tot in Arizona en New Mexico, met een geïsoleerde populatie in de Black Hills van South Dakota. Hij trekt niet over lange afstand, maar verplaatst zich wel verticaal tussen zomer- en winterhabitat, soms enkele tientallen kilometers. Het areaal is sinds de negentiende eeuw grotendeels stabiel, al staat de soort in delen van het zuidwesten onder druk door bosbranden en de vergrassing van bergbos. In het westen van Brits-Columbia raakt zijn areaal dat van het grauw sneeuwhoen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek in april of mei bij zonsopgang een open plek in bergbos met een goed zicht op de grond; het mannetje staat daar vaak wekenlang op dezelfde plek te balsen en is dan, anders dan zijn kustverwant, ook echt te zien. Sluip langzaam dichterbij zodra je het zachte gehoot hoort — het is zo stil dat je algauw dichterbij zult moeten staan dan comfortabel voelt. Buiten het voorjaar wordt de soort het vaakst gezien waar bergbos overgaat in open salieheuvels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC); de aantallen zijn sinds 1966 stabiel gebleven, met naar schatting tweehonderdduizend broedvogels. Jacht, houtkap en begrazing spelen lokaal wel een rol, en onderzoek wijst uit dat toenemende bosbranden in het zuidwesten de soort op termijn uit delen van zijn areaal kunnen verdrijven. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) rekent hem tot de soorten met een lage zorgstatus.

Wetenschappelijke naam

Dendragapus obscurus | (Say, 1822)

Thomas Say beschreef de soort in 1822 als Tetrao obscurus, in het geslacht van de Euraziatische auerhoenders, op basis van vogels die hij verzamelde tijdens de Long-expeditie naar de Rocky Mountains; sinds de soort naar een ander geslacht is overgeplaatst staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendragapus werd in 1864 ingevoerd door de Amerikaanse zoöloog Elliot. obscurus is Latijn voor 'donker, onduidelijk', naar het effen grijsbruine verenkleed. De typelocatie is 'Defile Creek', ongeveer twintig kilometer ten noorden van het huidige Colorado Springs, Colorado.