Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Stekelstaarthoen

Stekelstaarthoen | Tympanuchus phasianellus

Sharp-tailed Grouse | Gallo de las Praderas Rabudo

Het stekelstaarthoen is het meest wijdverspreide van de drie Noord-Amerikaanse prairiehoenders, met een areaal dat van Alaska tot in de Great Plains reikt. Zijn spitse, verlengde middelste staartveren geven hem zijn naam en zijn silhouet, slanker dan dat van zijn twee prairieverwanten. Op de balts stampt hij zo snel met de poten dat het geluid eerder een mechanisch getril dan een dans lijkt.

Stekelstaarthoen (Tympanuchus phasianellus)
Foto: USFWS Mountain-Prairie — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op de balts blaast het mannetje paarse halszakken op en laat daarbij een zacht, aanhoudend koeren horen, aangevuld met klik-, blaf- en gobbelgeluiden die van vogel tot vogel verschillen. Het geluid dat het verst draagt is echter niet vocaal: het snelle getrappel van de poten klinkt als een zacht gebrom, en de staartveren tikken tegen elkaar met een droog, ratelend geluid terwijl de vogel ronddraait. In de vlucht klinkt een kakelende reeks, vooral bij het opvliegen. Buiten de balts is de soort stil en verraadt hij zich vooral door het geluid van zijn vleugels bij het opschrikken.

Luister: RoffelXC941379

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Milner, Routt County, Colorado, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, gedrongen hoenderachtige met een kleine kop, een korte snavel en spitse, iets verlengde middelste staartveren die in rust duidelijk boven de rest uitsteken. Het verenkleed is bruin met een fijne, V-vormige tekening op de onderdelen, lichter en fijner gevlekt dan bij de twee prairiehoenders. Het mannetje toont tijdens de balts gele wenkbrauwkammen en paarse halszakken; het vrouwtje mist deze en is iets kleiner en doffer. In de vlucht valt de witte buik op tegen de bruine bovendelen, en de staart toont in alle kleden een duidelijke witte rand.

Verwarrings­soorten

Het groot prairiehoen (Tympanuchus cupido) en het klein prairiehoen (Tympanuchus pallidicinctus) zijn zwaarder gebouwd, met een korte, ronde staart in plaats van de spitse, verlengde staartveren van het stekelstaarthoen, en met een grovere, horizontaal gebande in plaats van fijne V-vormige onderdelentekening. De halszakken verraden de soort al van ver: paars bij het stekelstaarthoen, oranje bij het groot prairiehoen, roodpaars bij het klein prairiehoen. Waar de arealen elkaar raken, in het noorden van de Great Plains, hybridiseert het stekelstaarthoen af en toe met het groot prairiehoen. In bosrijker terrein wordt hij weleens verward met het kraaghoen (Bonasa umbellus), dat een bredere, waaiervormige staart met een brede donkere eindband heeft in plaats van de spitse middelste veren, en dat met de vleugels trommelt in plaats van met de poten te stampen.

Leefgebied

Grasland met verspreide struiken — wilde roos, sneeuwbes, meidoorn, alsem — vormt de kern van zijn leefgebied, van open prairie tot de bosrand van esdoorn-populierenbos in het noorden. Struiken zijn onmisbaar: ze bieden dekking tegen roofvogels en 's winters knoppen en bessen als voedsel, terwijl open grasland de balts- en nestplaats levert. In het noorden van zijn areaal gebruikt hij ook veenmoeras en berkenbos aan de rand van het boreale woud. Aaneengesloten bos zonder open grond mijdt hij evenzeer als kaal akkerland zonder struweel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel over een groot areaal, van Alaska door het grootste deel van Canada tot in de noordelijke Great Plains van de Verenigde Staten — Montana, de Dakota's, Nebraska, Minnesota en Wisconsin — met geïsoleerde bergpopulaties in Idaho, Wyoming, Utah en Colorado. In het westen, in de staat Washington, is een aparte ondersoort tot een handjevol geïsoleerde populaties teruggebracht. Sinds de negentiende eeuw is de soort verdwenen uit Californië, Nevada, New Mexico, Kansas, Iowa en Illinois, waar de prairie in akkerland is omgezet. Het kernareaal in Canada en Alaska is grotendeels intact gebleven.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in april een traditionele baltsplek op open, kortgrazig terrein bij zonsopgang — dezelfde plek wordt jaar na jaar gebruikt en is vaak bekend bij lokale natuurbeschermers. Het geratel van de staartveren en het getrappel van de poten zijn op enkele tientallen meters goed te horen, ook voordat je de vogels zelf ziet zitten.

Staat van instandhouding

De wereldwijde populatie wordt geschat op zo'n zevenhonderdvijftigduizend vogels, en is sinds 1970 licht toegenomen. Lokaal, vooral aan de randen van het areaal in het westen en Midwesten, blijft versnippering van grasland en struweel door akkerbouw de belangrijkste bedreiging. De soort is niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) rekent haar tot de soorten met een lage zorgstatus.

Wetenschappelijke naam

Tympanuchus phasianellus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao Phasianellus, in het geslacht van de auerhoenders; sinds ze naar een ander geslacht is overgeplaatst staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tympanuchus werd in 1841 ingevoerd door de Duitse zoöloog Gloger, gevormd uit het Grieks tympanon ('trommel') en echein ('hebben') — een verwijzing naar de opblaasbare halszakken waarmee prairiehoenders hun baltsgeluid maken. phasianellus is een verkleinvorm van het Latijnse phasianus, 'fazant', naar de spits toelopende staart die aan die van een fazant doet denken. De typelocatie luidt simpelweg 'Canada', later toegespitst tot de omgeving van Hudsonbaai.