Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Groot prairiehoen

Groot prairiehoen | Tympanuchus cupido

Greater Prairie-Chicken | Gallo de las Praderas Grande

Het groot prairiehoen is de zwaarste van de drie prairiehoenders en het boegbeeld van de Amerikaanse hooggrasprairie, waarvan in ruim een eeuw meer dan negentig procent onder de ploeg is verdwenen. Op de balts blaast het mannetje twee felgele nekstukken op tot oranje luchtzakken en stampt daarbij zo hard met de poten dat de grond ervan lijkt te dreunen. Van de miljoenen die er ooit waren, resteert nog een fractie in verspreide prairierestanten van Texas tot de Dakota's.

Groot prairiehoen (Tympanuchus cupido)
Foto: Forbin42 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkende geluid is het 'boomen': een diep, resonerend drieklankig oe-loe-woe, voortgebracht doordat lucht via de syrinx door de opgeblazen oranje halszakken wordt geperst en tot op enkele kilometers draagt. Daartussendoor klinken schelle, kakelende en jankende geluiden, vooral wanneer twee mannetjes elkaar op de baltsplaats uitdagen. Vrouwtjes geven een zachte kuk en, bij het verzamelen van de kuikens, een brommend brrb; bij gevaar klinkt een scherp kwerr. Het boomen is al voor zonsopgang te horen en zwelt aan naarmate meer mannetjes op de baltsplaats verschijnen.

Luister: ZangXC1086032

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Bledsoe Ranch (PRIVATE), Wray, Yuma County, Colorado, United States · xeno-canto

Herkenning

Een zware, gedrongen hoenderachtige met een kleine kop, een volle borst en een relatief korte, ronde staart. Het verenkleed is grof horizontaal bruin en wit gebandeerd over vrijwel het hele lichaam. Het mannetje heeft lange, opgerichte nekveren ('pinnae') die tijdens de balts als oortjes rechtop staan, en onder de kin twee kale, feloranje huidplekken die als luchtzakken worden opgeblazen; boven het oog toont hij een gele wenkbrauwkam. Het vrouwtje mist de pinnae en de oranje huid en is fijner getekend; jonge vogels lijken sterk op het vrouwtje. In de vlucht is de soort log, met korte series snelle vleugelslagen tussen glijfases.

Verwarrings­soorten

Het klein prairiehoen (Tympanuchus pallidicinctus) is een kleinere, bleker gekleurde soort van de droogste, zuidelijkste prairies, met roodpaarse in plaats van oranje halszakken; de arealen van de twee soorten liggen honderden kilometers uit elkaar en overlappen niet. Het stekelstaarthoen (Tympanuchus phasianellus) is slanker, met een spitse in plaats van ronde staart en paarse in plaats van oranje halszakken; in het noorden van de Great Plains hybridiseert het groot prairiehoen af en toe met deze soort. Ontsnapte of uitgezette fazanten worden op afstand weleens voor prairiehoen aangezien, maar hebben een veel langere staart en missen de nekveren.

Leefgebied

Hooggrasprairie en gemengd-grasprairie, oorspronkelijk over honderden kilometers aaneengesloten, nu vaak nog slechts in fragmenten tussen akkerland. Dichte, hoge grasvegetatie is onmisbaar om in te nestelen en aan roofdieren te ontkomen, terwijl korter begraasd of gemaaid grasland dient als baltsplaats en foerageerterrein. Aangrenzend akkerland met graan, soja of sorghum wordt 's winters aanvullend gebruikt als voedselbron. Volledig gesloten bos en aaneengesloten akkerland zonder graslandresten mist hij allebei.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel in sterk versnipperde populaties in de Great Plains, van de Sandhills van Nebraska en de Flint Hills van Kansas door delen van Oklahoma, South Dakota, North Dakota, Minnesota, Iowa, Missouri, Illinois en Wisconsin tot een geïsoleerde ondersoort, het Attwaterprairiehoen, op de kustprairie van Texas. Hij trekt niet, en verplaatst zich zelden meer dan enkele tientallen kilometers van zijn baltsplaats. Het areaal was ooit vrijwel aaneengesloten van Texas tot Zuid-Ontario en Zuid-Canada; sinds de omzetting van prairie in akkerland in de negentiende en twintigste eeuw is de soort uit Canada en het grootste deel van het oostelijke areaal verdwenen. Alleen in de Sandhills van Nebraska, waar de bodem te zanderig is voor de ploeg, bleef een groot aaneengesloten leefgebied bewaard.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek voor zonsopgang in maart of april een baltsplaats op in de Sandhills van Nebraska of de Flint Hills van Kansas, waar meerdere organisaties speciale kijkhutten aanbieden; het boomen begint in het donker en de vogels blijven meestal tot na zonsopgang zichtbaar. Blijf in de hut tot de vogels uit zichzelf vertrekken — wie te vroeg opstaat, jaagt de hele groep in één keer weg.

Staat van instandhouding

De soort staat als gevoelig (NT) op de Rode Lijst: in vijftig jaar is de populatie met meer dan de helft afgenomen, tot enkele honderdduizenden vogels wereldwijd. Verlies en versnippering van prairie door akkerbouw, concurrentie met uitgezette fazanten en de bouw van windturbines op resterende prairie worden als belangrijkste oorzaken gezien. De ondersoort van de Texaanse kustprairie, met minder dan een procent van zijn oorspronkelijke leefgebied en een populatie die grotendeels van uitgezette, in gevangenschap gefokte vogels afhangt, is een van de meest bedreigde vogels van Noord-Amerika.

Wetenschappelijke naam

Tympanuchus cupido | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als lid van het geslacht van de auerhoenders, onder de naam Tetrao Cupido; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat de soort sindsdien naar Tympanuchus is overgeplaatst. cupido is Latijn voor 'verlangen', naar de Romeinse liefdesgod Cupido — de lange, opgerichte nekveren die het mannetje tijdens de balts spreidt, deden de beschrijvers aan een paar kleine vleugels denken. De typelocatie is Virginia, opgetekend naar de beschrijving van de achttiende-eeuwse Engelse natuurvorser Mark Catesby.