Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Klein prairiehoen
Klein prairiehoen | Tympanuchus pallidicinctus
Lesser Prairie-Chicken | Gallo de las Praderas Chico
Het klein prairiehoen is de kleinste en zeldzaamste van de drie prairiehoenders, gebonden aan de droogste rand van hun gezamenlijke leefgebied: het zand-salieland en shinnery-eikenstruweel van de zuidelijke Great Plains. Op de balts blaast het mannetje twee kleine, roodpaarse luchtzakken op en springt daarbij met korte, felle sprongetjes op en neer. Van het oorspronkelijke areaal is meer dan vijfentachtig procent verdwenen, en wat rest is sterk versnipperd.
Geluid
Het boomen van het klein prairiehoen is ijler en hoger van toon dan dat van het groot prairiehoen, een gorgelend, kloppend geluid dat door de opgeblazen roodpaarse halszakken wordt versterkt en op een paar honderd meter goed te horen is. Ertussendoor klinken kakelende en gakkende geluiden, vooral tijdens de schermutselingen tussen rivaliserende mannetjes op de baltsplaats. Bij de zogeheten 'flutter-jump' maakt de vogel een korte sprong met klapperende vleugels, die een eigen ratelend geluid geeft. Buiten het voorjaar is de soort stil.
Opname: Matt Wistrand — CC BY-NC-SA 4.0 · Logansport Township (near Winona), Logan County, Kansas, United States · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, middelgrote hoenderachtige, kleiner en lichter dan het groot prairiehoen, met een grote, ronde romp, een kleine kop en een korte snavel. Het verenkleed is fijner en bleker gebandeerd dan bij zijn grotere verwant, in tinten zand- en roestbruin die goed schuilen tegen de bodem van het zandsalieland. Het mannetje toont tijdens de balts kortere pinnae dan het groot prairiehoen en roodpaarse in plaats van oranje halszakken; het vrouwtje mist beide en is nog fijner getekend. In de vlucht is de soort net als zijn verwanten log, met korte reeksen snelle vleugelslagen tussen glijfases.
Verwarringssoorten
Het groot prairiehoen (Tympanuchus cupido) is groter en donkerder gebandeerd, met oranje in plaats van roodpaarse halszakken; de arealen van de twee soorten liggen honderden kilometers uit elkaar, al komt af en toe hybridisatie voor waar uitgezette of rondzwervende vogels elkaar ontmoeten. Het stekelstaarthoen (Tympanuchus phasianellus) is slanker en heeft een spitse in plaats van ronde staart; zijn areaal ligt goeddeels ten noorden van dat van het klein prairiehoen. Binnen zijn eigen areaal is verwarring vooral mogelijk met het vrouwtje van de fazant, dat echter een veel langere staart en geen halszakken heeft.
Leefgebied
Kortgrasprairie met een dichte ondergroei van zand-salie of shinnery-eik, op de zanderige bodems van de zuidelijke Great Plains. De struiken zijn onmisbaar als beschutting tegen de intense zon en tegen roofdieren en leveren 's winters knoppen als voedsel, terwijl open, kort grasland dient als baltsplaats. De soort mijdt zowel volledig open, struikloze prairie als aaneengesloten akkerland; het Conservation Reserve Program, dat akkerland weer in grasland omzet, heeft plaatselijk geholpen leefgebied te herstellen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel in een sterk versnipperd areaal in het uiterste zuiden van de Great Plains: het westen van Kansas, het westen van Oklahoma, de Texas Panhandle met de Llano Estacado, het oosten van New Mexico en het zuidoosten van Colorado. Hij trekt niet en blijft het hele jaar dicht bij zijn baltsplaats. Het areaal was ooit aaneengesloten over een veel groter deel van deze vijf staten; omzetting van prairie in akkerland en, sinds de late twintigste eeuw, de aanleg van olie- en gaswinning en windparken hebben het leefgebied tot geïsoleerde eilanden teruggebracht.
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek voor zonsopgang in april een baltsplaats op in het zand-salieland van zuidwest-Kansas of de Texas Panhandle, bij voorkeur via een van de lokale kijkhutten die tijdens het baltsseizoen worden opengesteld — de vogels zijn schuw en verlaten de baltsplaats bij de geringste verstoring. Blijf zitten tot de balts uit zichzelf afloopt.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU): de populatie is sinds de negentiende eeuw met ongeveer zevenennegentig procent afgenomen en telt nu enkele tienduizenden vogels, verspreid over vijf staten. Omzetting en versnippering van prairie door akkerbouw en overbeweiding blijven de belangrijkste bedreiging, aangevuld met de aanleg van infrastructuur voor olie-, gas- en windenergie op de resterende prairie. De federale beschermingsstatus van de soort in de Verenigde Staten is de afgelopen jaren herhaaldelijk voorwerp van juridische strijd geweest.
Wetenschappelijke naam
Tympanuchus pallidicinctus | (Ridgway, 1873)
Ridgway beschreef de soort in 1873 als een bleke westelijke vorm van het groot prairiehoen, Cupidonia cupido var. pallidicincta; sinds ze als eigen soort in Tympanuchus is geplaatst staan auteur en jaartal tussen haakjes. pallidicinctus is samengesteld uit het Latijn pallidus ('bleek') en cinctus ('omgord'), naar de lichtere, fijner gebande verentekening waarmee de soort zich van zijn grotere verwant onderscheidt. De typelocatie ligt in de prairies van Texas, rond de tweeëndertigste breedtegraad.

