Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Witstaartsneeuwhoen

Witstaartsneeuwhoen | Lagopus leucura

White-tailed Ptarmigan | Lagópodo Coliblanco

Het witstaartsneeuwhoen is het kleinste sneeuwhoen van Noord-Amerika en de enige hoenvogel die het hele jaar boven de boomgrens leeft, in het kale rotsland van de hoge Rocky Mountains. Zijn verenkleed wisselt drie keer per jaar van sneeuwwit naar gevlekt bruingrijs en weer terug, zodat hij het hele jaar door bijna onzichtbaar is tegen de ondergrond. Alleen de witte staart, die in geen enkel kleed verkleurt, verraadt hem als hij opvliegt.

Witstaartsneeuwhoen (Lagopus leucura)
Foto: John Hill — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat in de balts vanaf een rotsblok een zacht, kakelend kuk-kuk-kuk horen, dat zelden ver draagt en makkelijk opgaat in de wind boven de kale hellingen. Bij verstoring stoot hij een schor, klokkend kok-kok-kok uit terwijl hij wegloopt of laag opvliegt. Het vrouwtje reageert op haar kuikens met een zacht, herhaald tikkend geluidje. Vergeleken met het luide, ver dragende geroep van het moerassneeuwhoen is de stem van deze soort zwak — passend bij een vogel die zijn veiligheid vooral aan camouflage dankt, niet aan afstand.

Luister: ZangXC431762

Opname: Logan McLeod — CC BY-NC-SA 4.0 · Yukon, Unorganized, Yukon, Yukon Territory, Canada · xeno-canto

Herkenning

In de winter is het geheel wit, met alleen de zwarte snavel, de donkere ogen en bij het mannetje soms een rode oogkam als onderscheid. In de zomer is het dicht getekend met zwartbruin, grijs en okergeel, fijner en grijzer gevlekt dan bij de andere twee sneeuwhoenders, en zonder de zwarte staart die beide andere soorten wél hebben — bij deze soort blijft de staart in elk kleed wit. In de overgangsperiodes in voor- en najaar ontstaat een grillig gevlekt tussenkleed waarin witte en bruine veren dooreen staan. Vrouwtjes zijn iets doffer bruin dan mannetjes in het zomerkleed maar verder nauwelijks te onderscheiden. Het silhouet is gedrongen en rond, met een korte staart, een korte snavel en dicht bevederde poten tot in de tenen, die als sneeuwschoenen dienen.

Verwarrings­soorten

Het alpensneeuwhoen (Lagopus muta) is iets groter, heeft een zwarte staart in elk kleed en bij het mannetje in de winter een scherpe zwarte streep door het oog; die kenmerken ontbreken bij het witstaartsneeuwhoen volledig. Het moerassneeuwhoen (Lagopus lagopus) is groter en zwaarder, heeft eveneens een zwarte staart en leeft lager, in wilgenstruweel in plaats van op kaal gesteente; areaaloverlap komt alleen voor in het uiterste noordwesten. Op grote afstand kan een wit winterkleed-hoen op een rots ook voor een plek sneeuw worden aangezien — de zwarte snavel en de bewegende vorm zijn dan het enige verschil.

Leefgebied

Het witstaartsneeuwhoen leeft het hele jaar boven de boomgrens: in de zomer op alpiene weiden met lage kruiden en losse rotsblokken, in de winter in het krummholz (kromme, door wind gedrukte boomgroei aan de boomgrens) — de laatste, tot een windgebeukt tapijt platgedrukte naaldbomen net onder de kammen — en tussen rotsspleten waar de wind sneeuw wegblaast en kruiden bloot legt. Rotsblokken en steenpuin bieden schuilplaats tegen roofvogels en de felle wind; dichte lage wilgen leveren de wintertwijgen waarvan hij dan vrijwel uitsluitend leeft. Gesloten bos en dichte lage vegetatie mijdt hij, evenals dorre, plantloze rotswoestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel, met alleen een beperkte verticale trek: in de winter zakken de vogels van de hoogste kammen naar iets lagere, windluwe hellingen met krummholz. Het inheemse areaal volgt de Rocky Mountains van Alaska en het westen van Canada zuidwaarts tot New Mexico; in de twintigste eeuw is de soort met succes uitgezet in de Sierra Nevada van Californië en in de Uinta- en Wasatch-bergen van Utah, waar hij inmiddels zelfstandige populaties vormt. Door de opwarming van het klimaat kruipt de boomgrens langzaam omhoog en daarmee zijn leefgebied dicht — onderzoek in Colorado laat al een lichte terugval in de laagst gelegen populaties zien.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de zomer op een wandeling ruim boven de boomgrens, waar hij vaak roerloos tussen de rotsen zit tot je er bijna op stapt — het is een van de tamste hoenvogels van het continent. Kijk in juli en augustus naar de kleine gezinnen langs sneeuwvelden, waar de kuikens insecten zoeken in de smeltrand.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met stabiele populaties in het grootste deel van het areaal, al zijn precieze aantallen door de ontoegankelijke leefomgeving lastig te schatten. De belangrijkste zorg is de opwarming van het klimaat, die het alpiene leefgebied van onderaf inkrimpt terwijl er boven de bergtoppen geen ruimte is om naartoe te trekken.

Wetenschappelijke naam

Lagopus leucura | (Richardson, 1831)

Richardson beschreef de soort in 1831 als Tetrao (Lagopus) leucurus, met Lagopus toen nog als ondergeslacht binnen de hoenders Tetrao; sinds Lagopus tot eigen geslacht is verheven staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lagopus is Grieks voor 'hazenpoot', naar de dicht bevederde poten en tenen; leucura betekent 'witstaart'. De typelocatie ligt in de Rocky Mountains op 54° noorderbreedte, in het noorden van de Canadese Rockies op de grens van Brits-Columbia en Alberta.