Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Alpensneeuwhoen

Alpensneeuwhoen | Lagopus muta

Rock Ptarmigan | Lagópodo alpino

Het alpensneeuwhoen is het meest wijdverspreide sneeuwhoen ter wereld, van de Aleoeten tot de hoogste eilanden van de Canadese Arctis en Groenland. Net als zijn verwanten wisselt het drie keer per jaar van verenkleed, maar wat opvalt is de zwarte staart die in elk kleed zichtbaar blijft en, bij het mannetje in de winter, een scherpe zwarte streep door het oog. Boven de vegetatiegrens, op kaal gesteente en poolwoestijn, is dit vaak de enige vogel die het hele jaar blijft.

Alpensneeuwhoen (Lagopus muta)
Foto: Chme82 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje balst met een laag, krassend gesnater dat klinkt als scheurend karton — een reeks droge tjerrr-achtige klanken, vaak uitgestoten vanaf een rotsblok of tijdens een korte, glijdende baltsvlucht. De roep bij onraad is een kort, schor gekras, herhaald terwijl de vogel wegrent of laag opvliegt. Vergeleken met het zachte gekakel van het witstaartsneeuwhoen draagt deze stem verder over de kale, weerkaatsende rotsvlakten. In de balts stoot het mannetje ook een zacht, sissend geluid uit, vlak voor de paring.

Luister: ZangXC993503

Opname: Johan Södercrantz — CC BY-NC-SA 4.0 · Flatruet, Berg Municipality, Jämtlands län, Sweden · xeno-canto

Herkenning

In de winter is het geheel wit met een zwarte staart en, bij het mannetje, een brede zwarte streep van de snavel door het oog — een kenmerk dat het vrouwtje mist. In de zomer is het fijn getekend in grijsbruin en zwart, met een egaler, grijzer patroon dan het grover gevlekte moerassneeuwhoen. De overgangskleden in voor- en najaar tonen een lappendeken van wit en donker, waarbij het mannetje in het najaar als enige kort een eigen grijs 'herfstkleed' draagt voordat het wit wordt. De snavel is korter en de kop ronder dan bij het moerassneeuwhoen, en net als bij alle sneeuwhoenders zijn de poten tot de tenen bevederd.

Verwarrings­soorten

Het witstaartsneeuwhoen (Lagopus leucura) is kleiner, heeft een wit in plaats van zwarte staart in elk kleed en mist bij het mannetje de zwarte oogstreep; hun arealen overlappen vrijwel niet, behalve lokaal in het zuiden van Alaska. Het moerassneeuwhoen (Lagopus lagopus) is groter en zwaarder, met een grovere, roestbruinere zomertekening en, zonder de zwarte oogstreep bij het mannetje, een dikkere snavel; in Alaska en het noorden van Canada broeden beide soorten naast elkaar, met het alpensneeuwhoen op de kale hoogten en het moerassneeuwhoen in het struweel eronder.

Leefgebied

Het alpensneeuwhoen broedt op kale, winderige toendra en rotsachtige berghellingen boven de boomgrens, waar lage kruiden, korstmos en losse steen de enige begroeiing vormen. In de winter zoekt het de luwte van rotsspleten en het lage krummholz (kromme, door wind gedrukte boomgroei aan de boomgrens) aan de bovengrens van het bos, waar het op knoppen en twijgen van dwergwilg en berk overleeft. Op de hoogste Arctische eilanden broedt het zelfs in poolwoestijn met nauwelijks meer dan verspreide mospollen. Dicht bos en dichte lage vegetatie mijdt het, net als de andere sneeuwhoenders.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel over vrijwel het hele Arctische en alpiene Noord-Amerika: heel Alaska inclusief de Aleoeten, de bergen en de toendra van Yukon, de Northwest Territories en Nunavut, het noorden van Brits-Columbia, en het noorden van Quebec en van Newfoundland en Labrador, plus geheel Groenland. Vogels op de hoogste breedtegraden verplaatsen zich in de winter kort naar iets lagere, beschutte hellingen, maar van een echte trek is geen sprake. Het is het enige sneeuwhoen dat ook op de kale, boomloze Aleoeten voorkomt, waar meerdere plaatselijke ondersoorten zijn beschreven.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in de zomer op de kale toppen boven de toendra, waar het mannetje op een uitstekende rots zijn territorium bewaakt; de zwarte oogstreep is dan al op afstand te zien. In de Aleoeten en in het noorden van Alaska is dit vaak de enige hoenvogel die je tegenkomt, en daar is hij door zijn afgelegen leefgebied onbevreesd voor mensen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie is groot en het areaal is voor het grootste deel ontoegankelijk voor menselijke verstoring. Plaatselijke afnames zijn gemeld in delen van Scandinavië en Schotland, buiten Noord-Amerika, waar krimpend berggebied en een veranderend sneeuwregime een rol spelen; voor de Noord-Amerikaanse populaties is zo'n trend nog niet vastgesteld.

Wetenschappelijke naam

Lagopus muta | (Montin, 1781)

Montin beschreef de soort in 1781 als Tetrao mutus, bij de hoenders van het geslacht Tetrao; sinds ze in het geslacht Lagopus is geplaatst staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lagopus is Grieks voor 'hazenpoot'; muta is Latijn voor 'stom' of 'zwijgend', naar de zachte, weinig luidruchtige baltsroep in vergelijking met andere hoenders. De typelocatie is simpelweg 'Zweden' — Montin werkte met exemplaren uit de Zweedse bergen, zonder een nauwkeuriger plaats te noemen.