Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Grauw sneeuwhoen

Grauw sneeuwhoen | Dendragapus fuliginosus

Sooty Grouse | Gallo de las Rocosas Gris

Het grauw sneeuwhoen is de forse hoenderachtige van de vochtige naaldbossen langs de Pacifische kust, van de kustketens van Zuidoost-Alaska tot in de bergen van Californië. Het mannetje balst hoog boven de grond, diep verscholen in de kruin van een naaldboom, met een dof gehoot dat kilometers ver draagt maar bijna onmogelijk te lokaliseren is. Zijn gele halszakken en oranje wenkbrauwkammen zijn dan het enige felle in een verder overwegend grijsblauw verenkleed.

Grauw sneeuwhoen (Dendragapus fuliginosus)
Foto: NPS Photo — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het baltsgeluid is een reeks van vijf tot zeven diepe, holle hoot-noten, zo laagfrequent dat ze eerder door de borst gevoeld dan met het oor gelokaliseerd worden; vanaf een tak hoog in een spar of douglasspar draagt de serie tot op twee kilometer afstand. Het mannetje herhaalt de reeks uur na uur vanaf dezelfde vaste zangpost, soms wekenlang vanaf dezelfde boom. Bij onraad klinkt een schor, kakelend alarm, en kuikens houden contact met zachte piepjes. Buiten het voorjaar is de soort grotendeels stil, en wie hem wil horen moet in april of mei voor zonsopgang een bosrand met oude naaldbomen opzoeken.

Luister: ZangXC1133653

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Obstruction Point Road, Olympic NP, Port Angeles, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Een zware, kortstaartige hoenderachtige met een klein kopje en een dikke hals; het mannetje is egaal leigrijs tot blauwgrijs met een dunne witte waas over de borst en een brede grijze eindband op de staart. Tijdens de balts zet hij zijn gele tot oranje wenkbrauwkammen en gele halszakken op, spreidt de staart tot een waaier en zet de nekveren op tot een kraag. Het vrouwtje is gecamoufleerd bruin met zwarte en witte spikkels, kleiner dan het mannetje en zonder de gekleurde halszakken. Juveniele vogels lijken op het vrouwtje maar zijn nog fijner getekend en missen de brede staartband. In de vlucht is de soort log en zwaar, met snelle vleugelslagen gevolgd door een glijfase, laag over de grond.

Verwarrings­soorten

Het blauw sneeuwhoen (Dendragapus obscurus) is de vrijwel identieke soort van de binnenlandse Rocky Mountains; hun areaal raakt elkaar nauwelijks, want het grauw sneeuwhoen blijft dicht bij de kust en het blauw sneeuwhoen bij de gebergten oostelijker in het binnenland. Waar ze elkaar wel ontmoeten, in het binnenland van Brits-Columbia, is het mannetje te onderscheiden aan de kleur van de opgeblazen halszak: geelachtig oranje bij het grauw sneeuwhoen, paarsrood bij het blauw sneeuwhoen. Ook de balts verschilt: het grauw sneeuwhoen zingt hoog in een boom en is van ver te horen, het blauw sneeuwhoen staat op de grond en is nauwelijks over meer dan honderd meter te horen. Vrouwtjes en jonge vogels van de twee soorten zijn in het veld vrijwel niet te onderscheiden.

Leefgebied

Vochtig naaldbos van douglasspar, westelijke hemlockspar en zilverspar, bij voorkeur met open plekken, kapvlaktes in herstel of bosranden waar zonlicht de bodem bereikt. In de zomer zoekt hij deze open plekken op voor bessen, bladeren en insecten; in de winter trekt hij juist naar de dichtste, hoogste naaldbossen, waar hij vrijwel uitsluitend van conifeernaalden leeft. Gesloten oudgroeibos zonder enige open plek mijdt hij evenzeer als kaalslag zonder oude bomen om in te balsen. Aan de bovengrens van het bos, waar het naaldbos overgaat in krukhout (laag, door wind en sneeuw vergroeid boomgewas), is hij 's winters op zijn dichtst.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel langs de hele Pacifische kust, van het zuidoosten van Alaska en de kust van Brits-Columbia door de Cascades en de kustketens van Washington en Oregon tot in de Sierra Nevada en de kustbergen van Californië. Hij trekt niet over lange afstand, maar verplaatst zich wel verticaal: 's zomers foerageert hij lager tussen open plekken en struweel, 's winters klimt hij naar de hoogste, dichtste naaldbossen. Het areaal is sinds de negentiende eeuw grotendeels stabiel gebleven, al is de soort lokaal achteruitgegaan waar oud bos is gekapt. Landinwaarts, in het zuiden van Brits-Columbia, raakt zijn areaal dat van het blauw sneeuwhoen, en daar komen af en toe mengvormen voor.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Ga in april of mei voor zonsopgang naar een oud naaldbos aan de kust en luister naar het lage, verre gehoot — de bron ervan is vaak onmogelijk aan te wijzen, want het geluid lijkt van alle kanten tegelijk te komen. Zoek dan systematisch de hoogste, dikste takken van de dichtstbijzijnde sparren af met een verrekijker; het mannetje zit doorgaans stil en camoufleert goed tegen de stam. Buiten het voorjaar wordt de soort het vaakst gezien op een boswegje bij zonsopgang, waar hij grit komt oppikken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar de aantallen zijn tussen 1968 en 2015 met ruim de helft afgenomen, een geleidelijke achteruitgang zonder duidelijke daling in een afzonderlijk jaar. Kap van oud naaldbos en de opkomst van jonge, gelijkjarige productiebossen zonder de afwisseling van open plek en dicht bos die de soort nodig heeft, worden als belangrijkste oorzaak gezien. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) rekent hem desondanks tot de soorten met een lage zorgstatus.

Wetenschappelijke naam

Dendragapus fuliginosus | (Ridgway, 1873)

Ridgway beschreef de kustvogels in 1873 als een donkere kleurvorm van het toen nog ene blauw sneeuwhoen, Canace obscura var. fuliginosa; sinds de vorm tot soort is verheven en in het geslacht Dendragapus staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendragapus, waarin ook het blauw sneeuwhoen zit, werd in 1864 ingevoerd door de Amerikaanse zoöloog Elliot. fuliginosus is Latijn voor 'roetkleurig, met roet bedekt', naar het donkere verenkleed van de kustvogels. De typelocatie beslaat twee plekken tegelijk: de Cascade Mountains aan de voet van Mount Hood in Oregon, en Chiloweyuck Depot in de staat Washington.