Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Floridastruikgaai

Floridastruikgaai | Aphelocoma coerulescens

Florida Scrub-Jay | Chara floridana

De floridastruikgaai is de enige vogelsoort die alleen in Florida voorkomt. Hij leeft in laag eikenstruweel op oude, arme zandruggen die door brand open worden gehouden, in familiegroepen waarin jongen van vorige jaren meehelpen bij het grootbrengen van het broedsel. Het gaat om een van de weinige coöperatief broedende vogels van Noord-Amerika, en het aantal is in een eeuw met zo'n negentig procent gedaald.

Floridastruikgaai (Aphelocoma coerulescens)
Foto: Andrea Westmoreland — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een krassend wiep, snel achter elkaar herhaald in de vlucht of vanaf een zitplaats bovenop een struik. Daarnaast klinkt een hard scheldgeluid, meestal vanaf de top van een struik, en een keelachtig gegrom. Vrouwtjes hebben een eigen signaal: bij gevaar geven ze een snelle, mechanische reeks hikkende notities terwijl ze op en neer wippen met de snavel omhoog. De uitkijkvogel van de groep roept vanaf een hoge tak of paal wanneer hij een roofvogel ziet.

Luister: RoepXC796351

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Pine Flatwoods Trail, Merritt Island NWR, Brevard County, Florida, United States · xeno-canto

Herkenning

Een gaai van 23 tot 28 centimeter, met een spanwijdte van 33 tot 36 centimeter en een gewicht van 66 tot 92 gram. Er is geen kuif. Kop en nek zijn blauw, met een witachtig voorhoofd en een witte wenkbrauwstreep; de keel is blauw omzoomd tot een bef, de onderdelen zijn grijsachtig en de rug is grijs. Vleugels en de lange staart zijn blauw, snavel, poten en voeten zwart. Jonge vogels hebben in het eerste jaar een bruine kop die geleidelijk blauw wordt. De vlucht is laag over het struweel, met afwisselend fladderen en glijden.

Verwarrings­soorten

Binnen Florida is er geen tweede struikgaai, dus de blauwe gaai is de enige echte verwisselkandidaat: die heeft een kuif, een zwarte halsband, witte vlekken in vleugel en staart en zwarte dwarsbandering, en zit in bos en tuin in plaats van in laag struweel. De westelijke struikgaai en Woodhouse' struikgaai zijn de naaste verwanten, maar leven duizenden kilometers westelijker; ze werden vroeger met de floridastruikgaai tot één soort gerekend, en de floridastruikgaai wordt als afstammeling van een woodhousesachtige voorouder gezien die al zeker twee miljoen jaar afzonderlijk staat. Ontsnapte of verdwaalde westelijke struikgaaien in Florida zijn niet vastgesteld.

Leefgebied

Florida-scrub: laag, dicht eikenstruweel met zandlevenseik, zandden en Florida-rozemarijn op voedselarme, sterk doorlatende zandgrond, met open zandplekken ertussen. Dat leefgebied hangt van brand af; blijft vuur uit, dan groeien de eiken door tot boven de vier meter en verdwijnt de soort. De hoogste, droogste ruggen zijn het meest geschikt. Het struweel komt voor in Centraal-Florida en langs een strook oude duinruggen aan de Atlantische kust. De vogels begraven elk jaar duizenden eikels net onder het zand; de vergeten voorraden dragen bij aan de verjonging van de eiken. Verder eten ze zaden, insecten, boomkikkers, hagedissen, slangen en jonge schildpadden; een paar is waargenomen dat samen een zwarte rensslang doodde.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel, alleen in Florida en daarbinnen lokaal: het schiereiland van Centraal-Florida, met een kerngebied op de Lake Wales Ridge, en enkele gebieden langs de Atlantische kust, onder meer in Brevard County. De soort trekt niet en verplaatst zich nauwelijks; jonge vogels blijven twee tot drie jaar in het ouderlijk territorium, en de meeste vestigingen gebeuren in of naast dat territorium. Daardoor zijn geïsoleerde deelpopulaties niet uit zichzelf te herbevolken.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Rijd op de Lake Wales Ridge langs beheerde scrub — Archbold Biological Station en de omliggende reservaten, of Oscar Scherer State Park aan de westkust — en let op een vogel die bovenop een lage struik of op een paal zit: dat is de uitkijk van de familiegroep. De hele groep laat zich meestal binnen een paar minuten zien. Voer de vogels niet: bijgevoerde paren beginnen eerder in het jaar te broeden, waardoor de jongen uitkomen voordat de rupsen waarvan ze afhangen er zijn.

Staat van instandhouding

De IUCN plaatst de soort in de categorie kwetsbaar (VU); in Florida is ze sinds 1975 als kwetsbaar (threatened) aangemerkt en federaal sinds 1987. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) kwam op ongeveer vierduizend vogels uit; recenter wordt van ruwweg achtduizend volwassen vogels uitgegaan, met geen enkele deelpopulatie boven duizend. In de laatste honderd jaar is ongeveer negentig procent van de populatie verdwenen; in Brevard County ging het sinds 1993 om een afname van een derde. De hoofdoorzaak is verlies van scrub aan woningbouw, wegen en spoorwegen, juist op de hoogste en droogste grond. Daarnaast speelt het uitblijven van brand, waardoor het struweel dichtgroeit, verkeersslachtoffers in bebouwd gebied, en predatie door loslopende katten. Beheer bestaat vooral uit gecontroleerd branden van de resterende percelen.

Wetenschappelijke naam

Aphelocoma coerulescens | (Bosc, 1795)

Louis Bosc beschreef de soort in 1795 als Corvus coerulescens, naar materiaal uit Florida; omdat ze in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aphelocoma werd in 1851 ingevoerd door Cabanis, van het Griekse aphelēs 'glad, eenvoudig' en komē 'haar, verenkleed': het verenkleed is niet gestreept of gebandeerd zoals bij andere gaaien. De soortnaam coerulescens is Latijn voor 'blauw wordend'.