Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Stellers gaai

Stellers gaai | Cyanocitta stelleri

Steller's Jay | Chara de Steller

Stellers gaai is de enige gaai met een kuif ten westen van de Rocky Mountains. Hij heeft een donkere voorhelft en een blauwe achterhelft en neemt in het westen van Noord-Amerika de plaats in die de blauwe gaai in het oosten heeft. Het areaal loopt van Zuid-Alaska tot Noord-Nicaragua, overal in naald- en eiken-dennenbos.

Stellers gaai (Cyanocitta stelleri)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een harde, ratelende reeks sjak-sjek-sjek-sjek, vaak vanuit de top van een naaldboom. Daarnaast klinkt een piepend skrieka-skrieka dat aan een oude pompzwengel doet denken, een zacht gefloten hoedel-hoedel en een nasaal wah bij alarm. Vrouwtjes geven een ratel, mannetjes een gliep-gliep. De soort bootst de roep van roofvogels na, onder meer roodstaartbuizerd, roodschouderbuizerd en visarend; na een Amerikaanse havik die ze hebben gezien, duurt het langer voordat de vogels weer gaan foerageren dan na een die ze alleen hebben gehoord. Bij het nest zijn ze stil.

Luister: ZangXC1089829

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · Huehuetenango, Chiantla, Huehuetenango Department, Guatemala · xeno-canto

Herkenning

Een grote gaai van 30 tot 34 centimeter en 100 tot 140 gram, met een lange, opzetbare kuif. De kop, de kuif, de borst en de mantelaanzet zijn zwartbruin tot donkerblauw; schouders, onderborst, vleugels en staart zijn blauw, met fijne donkere dwarsbandering op slagpennen en staartpennen. De snavel is slanker en de poten langer dan bij de blauwe gaai. Het verenkleed verschilt sterk per regio: vogels in het binnenland langs de Continental Divide hebben duidelijke witte streepjes boven en onder het oog, in het midden van het areaal zijn die lichtblauw, en aan de Pacifische kust zijn ze klein tot afwezig. Dertien ondersoorten worden onderscheiden.

Verwarrings­soorten

De blauwe gaai is de enige andere gaai met kuif; die heeft een blauwe in plaats van zwarte kop, een zwarte halsband, witte vlekken in vleugel en staart en witte onderdelen. Waar de arealen elkaar raken in de uitlopers van de Rocky Mountains kruisen beide soorten, wat een deel van de variatie verklaart. Woodhouse' struikgaai en de westelijke struikgaai hebben geen kuif, zijn lichter van onderen en zitten in lager, opener struweel. De pinyongaai heeft geen kuif, is egaal blauwgrijs en beweegt in grote troepen.

Leefgebied

Naaldbos en eiken-dennenbos, van zeeniveau in het noordwesten tot tegen de boomgrens in de bergen; in Mexico en Midden-Amerika in het hooggebergte. De dichtheid is lager in het midden van de Rocky Mountains en in het struweel en de woestijn van het Grote Bekken. In bebouwde kom, op kampeerterreinen en in boomgaarden en tuinen met bos in de buurt is hij algemeen; hij komt op voederplaatsen af, met voorkeur voor zonnebloempitten, gebroken maïs en ongepelde pinda's, en in de winter op vetbollen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Zuid-Alaska en de kust van Brits-Columbia zuidwaarts door de westelijke Verenigde Staten tot West-Texas, en verder door de Sierra Madre Occidental, de Sierra Madre Oriental en de Mexicaanse vulkaangordel tot de bergen van Guatemala, El Salvador, Honduras en Noord-Nicaragua. In het noorden breidt het areaal zich uit: vanuit Zuidoost-Alaska over de Coast Mountains naar Zuid-Yukon. Echte trek ontbreekt; bergvogels zakken in de winter naar lagere hoogte, en af en toe bereiken zwervers de prairiestaten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een kampeerterrein of picknickplaats in naaldbos: de vogels komen op etensresten af en laten zich dan tot op enkele meters bekijken. Als je een roodstaartbuizerd hoort in dicht naaldbos zonder dat er een open lucht boven is, kijk dan eerst naar de boomtoppen — vaak blijkt het de gaai. Voor de ondersoortkenmerken is een blik op het voorhoofd genoeg: witte streepjes wijzen op binnenlandse vogels, een effen zwartbruine kop op kustvogels.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en is over het hele areaal algemeen. Hij profiteert van menselijke aanwezigheid rond kampeerterreinen en huizen, wat lokaal gevolgen heeft voor andere vogels: op enkele plaatsen aan de Pacifische kust is vastgesteld dat hij nesten van de marmeralk plundert, en verhoogde aantallen rond recreatiegebieden worden met die predatie in verband gebracht. Verder zijn er geen grootschalige bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Cyanocitta stelleri | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Corvus stelleri, naar de beschrijving die Latham in 1781 gaf van een exemplaar uit Nootka Sound op Vancouvereiland, verzameld tijdens de derde reis van James Cook; omdat de soort later is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cyanocitta werd in 1845 ingevoerd door Hugh Strickland, van het Griekse kyanos 'donkerblauw' en kitta 'gaai'. De soortnaam eert Georg Wilhelm Steller, de Duitse natuuronderzoeker die de vogel in 1741 als eerste Europeaan vastlegde. De soort is de provincievogel van Brits-Columbia.