Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Geelkeelzanger

Geelkeelzanger | Setophaga dominica

Yellow-throated Warbler | Reinita gorjiamarilla

De geelkeelzanger is grijs met wit en zwart, op één vlak na: de keel en de bovenborst zijn scherp begrensd geel. Hij heeft de langste snavel van alle Setophaga-zangers en gebruikt die om al kruipend langs takken in spleten, dennenappels en naaldenbundels te peuteren, meer als een boomkruiper dan als een fladderende zanger.

Geelkeelzanger (Setophaga dominica)
Foto: Matt Pelikan — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een heldere reeks dalende fluittonen die aan het eind iets versnelt en vaak met een opwipje afsluit, ongeveer tjie-tjie-tjie-tjie-tjoe-wie. Hij draagt ver en klinkt voller en trager dan de zang van de meeste zangers. De roep is een scherp, hoog tsjip, dat sterk lijkt op dat van de geelstuitzanger. Gezongen wordt vanaf februari in het zuiden, veel eerder in het seizoen dan bij de meeste verwanten.

Luister: ZangXC1106501

Opname: Bill Pyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Lost Maples St. Natural Area, Bandera Co., Texas557, United States · xeno-canto

Herkenning

Grijze bovendelen zonder streping, twee witte vleugelstrepen, een witte buik met zwarte lengtestrepen op de flanken, en een gele keel die scherp tegen de witte borstzijden en het zwarte gezicht afsteekt. Op de kop staan een zwart masker, een witte vlek onder het oog en een witte of geelgetinte wenkbrauwstreep die achter het oog wit wordt. Beide geslachten lijken op elkaar; het vrouwtje is iets doffer. Het foerageren verraadt hem: langzaam, kruipend langs dikke takken, vaak hoog en langs de stam.

Verwarrings­soorten

De bonte zanger kruipt op dezelfde manier langs takken maar is geheel zwart-wit gestreept, ook over kruin en rug. De gele zwartkeelzanger heeft een zwarte keel en een geel gezicht. De tijgerzanger heeft een gele stuit, een kastanjebruine oorvlek en gestreepte gele onderdelen. De ondersoorten onderling: albilora ten westen van de Appalachen heeft een geheel witte wenkbrauwstreep en een kortere snavel, dominica in het oosten meestal een geel getinte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Twee duidelijk verschillende typen: open dennenbos met een lage ondergroei, en nat loofbos met moerascipres of plataan langs rivieren en in bosmoerassen. Waar Spaans mos in de bomen hangt, bouwt hij het nest daarin; elders in een naaldenbundel hoog in een den. Buiten de broedtijd zit hij in secundair bos, palmgroepen, mangroverand, parken en tuinen, waar hij ook aan agave- en palmbloemen komt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van de Verenigde Staten, van Zuid-Pennsylvania, New Jersey en Zuid-New York en van Noord-Missouri zuidwaarts tot aan de Golfkust en oostwaarts tot de Atlantische kust; in Florida en langs delen van de Golfkust blijft hij het hele jaar. De noordgrens schuift geleidelijk op. Hij trekt vroeg: aankomst in maart, wegtrek al vanaf eind juli. Overwintert langs de Golfkust van Mexico, op het Yucatán-schiereiland, in Belize, Guatemala en Honduras en op de Caraïbische eilanden, met Costa Rica en verder zuidelijk buiten dit gidsgebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In maart en april zijn de platanen langs een rivier de beste plek: hij zingt dan vanaf een hoge tak en is aan de dalende fluitreeks al te herkennen voordat je hem ziet. Zoek daarna de beweging langs de tak — een zanger die langzaam kruipend een dikke tak afwerkt in plaats van tussen de bladeren te springen, is bijna altijd deze soort of de zwart-witzanger.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldwijde broedpopulatie op ongeveer 2 miljoen vogels, met een score van 9 op 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). Het aantal is stabiel en het areaal breidt zich noordwaarts uit. In het zuidoosten hangt de soort aan twee leefgebieden die beide onder druk staan: oud open dennenbos, dat door vlakkap en het uitblijven van brand verdwijnt, en moerascipresbos, dat door ontwatering en kap krimpt. De ondersoort stoddardi van Noordwest-Florida en Zuid-Alabama heeft een klein areaal en wordt apart gevolgd.

Wetenschappelijke naam

Setophaga dominica | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla dominica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit het Griekse sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam dominica betekent 'van Santo Domingo', het eiland Hispaniola, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam; de oorspronkelijke opgave noemde Jamaica en Dominica, en de typelocatie is later op Hispaniola vastgelegd. De Nederlandse en de Engelse naam volgen de gele keel.