Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Dennenzanger
Dennenzanger | Setophaga pinus
Pine Warbler | Bijirita del pinar
De dennenzanger is de zanger die bijna nooit buiten dennenbos te vinden is. Hij is groter en zwaarder gebouwd dan de meeste soortgenoten, heeft een stevige snavel en eet als enige Amerikaanse zanger in de winter grote hoeveelheden zaad. In het zuidoosten van de Verenigde Staten blijft hij het hele jaar; de noordelijke broedvogels schuiven in de winter naar dat gebied op.
Geluid
De zang is een gelijkmatige, muzikale triller van twee tot drie seconden, langzamer en ronder van toon dan die van de grasgors en minder droog dan die van de grijze junco, waarmee hij in hetzelfde dennenbos te horen is. Het onderscheid zit in het tempo en in de lichte golving: de triller van de dennenzanger zwelt in het midden iets aan en loopt aan het eind los. De roep is een vlakke, wat slepende tsjip; op de trek een dunne, hoge tsiet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje heeft een olijfgroene rug, een gele keel en borst met een vage donkere streping over de zijborst, een witte buik en twee brede witte vleugelstrepen. Om het oog loopt een vage gele bril, met daarachter een donkere wangvlek. De poten zijn donker, de snavel is voor een zanger dik. Vrouwtjes en jonge vogels zijn veel bleker en soms bijna grijsbruin zonder geel. De staart heeft witte hoeken die opvallen als de vogel wegdraait. Het gedrag helpt: hij kruipt langzaam langs zware takken en prikt met de snavel in naaldbundels in plaats van door het blad te fladderen.
Verwarringssoorten
De geelkeelvireo heeft dezelfde gele bril en gele borst, maar een dikkere haaksnavel, een dikkere nek en een veel tragere manier van bewegen. De zwartkeelgrijze en de vale zanger zijn kleiner en slanker en hebben een fijner gestreepte flank. Bleke najaarsvogels lijken sterk op de vale zanger en de baybreastzanger; let dan op de langere staart met witte hoeken, de zware snavel en het ontbreken van duidelijke rugstreping. Jonge vogels zonder geel worden ook voor jonge geelstuitzangers aangezien, maar die hebben altijd een gele stuit.
Leefgebied
Open dennenbos, van de loblolly- en langbladdennen van de kustvlakte tot de wit-, rode en jack-dennen van het noorden. Gemengd bos gebruikt hij alleen als er dennen in staan; zuiver loofbos mijdt hij vrijwel. In de winter zoekt hij in het zuidoosten ook dennenaanplant, bosranden en tuinen op, waar hij op voedertafels komt voor zonnebloempit, gebroken maïs en vet. Aan de Golfkust en in Florida gebruikt hij daarnaast natte dennenvlakten en de randen van moerasbos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat het oosten van Noord-Amerika, van Zuidoost-Manitoba en Ontario oostwaarts tot Nieuw-Brunswick en Nova Scotia, en zuidwaarts over de hele oostelijke helft van de Verenigde Staten tot Oost-Texas en Florida. Ten zuiden van ruwweg Maryland en Kentucky is hij standvogel; de vogels uit het noorden verlaten hun broedgebied in oktober en keren al in februari terug, eerder dan welke andere zanger ook. In de winter vormen ze in het zuiden groepen van vijftig tot meer dan honderd vogels. Op Bermuda, de Bahama's, Cuba en Hispaniola leven eigen, het hele jaar blijvende vormen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in maart in een dennenbos af op de triller en zoek daarna hoog in de kroon naar een trage, gedrongen vogel die langs een zware tak loopt. In de winter is een voedertafel bij dennenbos in Georgia of de Carolina's de eenvoudigste plek: hij is dan de enige zanger die tussen de gorzen zit te zaadpikken.
Staat van instandhouding
De soort is wijdverbreid en talrijk en geldt als niet bedreigd. De Breeding Bird Survey laat over de afgelopen halve eeuw een stabiele tot licht stijgende trend zien, mede doordat de aanplant van dennen in het zuidoosten het areaal geschikt bos op peil houdt. Aanplant met korte omlooptijd levert wel minder oude bomen op dan natuurlijk dennenbos, en de vorm op Bermuda liep sterk terug toen een schildluis in de jaren vijftig het eilandbos vernietigde.
Wetenschappelijke naam
Setophaga pinus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia pinus, dus aanvankelijk bij de boomkruipers; omdat ze later naar Setophaga is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse sēs 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. De soortnaam pinus is Latijn voor 'den' en verwijst naar het bos waarin de vogel leeft. De typelocatie werd in 1931 vastgelegd op Georgia.




