Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Maskerparulazanger
Maskerparulazanger | Setophaga pitiayumi
Tropical Parula | Parula pitiayumí
De maskerparulazanger is de tropische tegenhanger van de brilparulazanger: even klein en blauwgrijs met een groene rugvlek, maar met een zwart masker rond het oog in plaats van witte oogmanen, en met geel dat doorloopt tot op de buik. Binnen dit gidsvenster is Zuid- en West-Texas de noordgrens van een areaal dat tot Argentinië reikt.
Geluid
De zang van de noordelijke vogels is een oplopende, versnellende triller die in toonhoogte stijgt en zonder scherp slot eindigt; hij lijkt op die van de brilparulazanger maar mist de geknepen eindnoot. Zuidelijke populaties zingen een langere, wisselender reeks van snelle heldere noten die in een dunne, hoge triller overgaat. De roep is een scherp, hoog tsjip, bij beide geslachten gelijk. Er wordt vooral in de vroege ochtend gezongen, hoog in de boom.
Opname: Niels Krabbe — CC BY-SA 4.0 · Pichincha: ridge between Río Mindo and Río Nambillo, 3 km SE Mindo, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Blauwgrijs van boven met een olijfgroene vlek op de mantel en twee witte vleugelstrepen. Keel, borst en buik zijn geel; over de borst ligt bij het mannetje een oranje waas dat naar de flanken toe vervaagt. Rond het oog en over de teugel loopt een zwartige vlek, die het gezicht donker maakt en waaraan de Nederlandse naam refereert; witte oogmanen ontbreken. Het vrouwtje is doffer, met minder oranje en een vager masker. Zoals de brilparulazanger foerageert hij hangend en klimmend in de buitenste twijgen en tussen epifyten.
Verwarringssoorten
De brilparulazanger is de enige echte verwarringsoort in het noorden van het areaal: die heeft een witte halve maan boven en onder het oog, een witte buik onder het gele borstschild en bij het mannetje een roestrode en blauwzwarte borstband. Bij de maskerparulazanger loopt het geel ononderbroken door van keel tot onderbuik en is het gezicht donker. Waar beide soorten in Zuid-Texas samen voorkomen treden mengvormen op, met tussenliggende gezichtstekening; die vogels zijn in het veld niet met zekerheid op naam te brengen.
Leefgebied
Bos en open boomgroei met veel epifyten. In Texas gaat het om hoog opgaand bos van levende eik, iepenbes, Mexicaanse es en netelboom met dichte begroeiing van bromelia's en Spaans mos, langs de Rio Grande, in de canyons van de zuidelijke Edwards Plateau en de Devils River, en in de Davis Mountains. In Mexico bewoont hij een breed bereik van halfdroog doornbos tot vochtig berg- en dennen-eikenbos; heel vochtig tropisch laaglandregenwoud mijdt hij. Het nest wordt in een hangende epifytenbundel gebouwd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel over het grootste deel van het areaal. Binnen dit gidsvenster gaat het om Zuid-Texas, de kuststrook noordwaarts tot ongeveer Calhoun en Victoria, de zuidelijke Edwards Plateau en West-Texas, en verder om beide Sierra Madres van Mexico: nigrilora langs de Sierra Madre Oriental vanaf Tamaulipas, pulchra langs de Sierra Madre Occidental vanaf Chihuahua en Zuid-Sonora, beide zuidwaarts tot Oaxaca en Chiapas, en door tot Guatemala, Honduras en Nicaragua. In Texas was de soort tot in de jaren zeventig beperkt tot Cameron en Hidalgo en breidde daarna naar noord en west uit; de Texaanse vogels komen in maart aan en vertrekken in september, al blijft in de Rio Grande-delta een deel overwinteren.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De grootste kans in de Verenigde Staten geven in april en mei de eikenbossen met Spaans mos van de lagere Rio Grande, bijvoorbeeld Santa Ana of Sabal Palm, en de canyons van de Devils River. Zoek de vogel niet op de stam maar in de hangende mosbundels aan de buitenste takken, en let bij elke parula op het gezicht: donker masker of witte halve maantjes beslist de zaak.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort in de gebruikte indeling als niet geëvalueerd; onder een ruimere soortopvatting wordt ze als niet bedreigd beoordeeld, met een populatie van meer dan twintig miljoen volwassen vogels en een groot, aaneengesloten areaal in Latijns-Amerika. In Texas is ze zeldzaam en gaat het om enkele honderden paren; daar hangt het voorkomen samen met de aanwezigheid van epifyten, die gevoelig zijn voor vorst, droogte en het kappen van oude oeverbossen. De noordwaartse uitbreiding sinds 1974 wijst niet op achteruitgang aan de rand van het areaal.
Wetenschappelijke naam
Setophaga pitiayumi | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia pitiayumi, naar materiaal uit Paraguay; door de latere plaatsing in Setophaga staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam gaat terug op pitiayumí, de Guaraní-naam die Félix de Azara in zijn beschrijving van de vogels van Paraguay optekende, en is dus geen Latijn of Grieks. Het geslacht Setophaga komt van het Oudgriekse ses 'mot' en phagos 'etend'. De Nederlandse naam noemt het zwarte masker, de Engelse het tropische areaal en de Spaanse de oorspronkelijke inheemse naam.





