Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Geeloogjunco

Geeloogjunco | Junco phaeonotus

Yellow-eyed Junco | Junco ojilumbre

De geeloogjunco is de junco van de Mexicaanse hooggebergten, die in de Verenigde Staten alleen de bergen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico haalt. Hij heeft een geeloranje iris in plaats van de donkere van de grijze junco, en een tweekleurige snavel met een donkere boven- en een gele ondersnavel.

Geeloogjunco (Junco phaeonotus)
Foto: Gary L. Clark — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Alleen het mannetje zingt. De zang bestaat uit twee of drie duidelijk gescheiden delen met trillers, waarbij elk deel een eigen toonhoogte en ritme heeft; hij is daardoor gevarieerder en minder eentonig dan de vlakke triller van de grijze junco. De roep is een kort tsjip, dat bij onrust in een snelle reeks overgaat, en een dun, hoog tsie-reeksje tussen vogels van een groep. De zang begint eind februari en houdt aan tot in augustus.

Luister: ZangXC1149980

Opname: Scott Crabtree — CC BY-NC-SA 4.0 · Mt Bigelow, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Een junco met een lichtgrijze kop en borst, een scherp afgetekende roestbruine rug en een witte buik, met witte buitenste staartpennen die bij het opvliegen zichtbaar worden. Het kenmerk waar alles om draait is de iris: geeloranje bij volwassen vogels, met daaromheen een zwarte teugelvlek die het oog omlijst. De ondersnavel is geel tot hoornkleurig, de bovensnavel donker. De schouderveren zijn vaak roodbruin, wat een tweede bruine vlek naast de rug oplevert. Het vrouwtje is doffer met een olijfachtige waas over de kruin; jonge vogels hebben nog een bruine iris en zijn fijn gestreept.

Verwarrings­soorten

De roodruggige groep van de grijze junco komt in dezelfde bergen van Arizona en New Mexico voor en heeft eveneens een roestbruine rug en een tweekleurige snavel; het verschil zit in de donkere iris en, bij goede waarneming, in de zwarte teugel die de geeloogjunco om het oog draagt. Ook het gedrag verschilt: de geeloogjunco loopt en schuifelt over de grond in plaats van te huppen, en krabt met één poot of met een dubbele sprong. De grijskopgroep van de grijze junco heeft een egaal lichte snavel en donkere ogen.

Leefgebied

Naaldbos en den-eikenbos van bergen, tussen ruwweg 1200 en 3500 meter, maar overwegend boven 2000 meter, met ponderosaden, douglasspar, spar en eik, en met open grasachtige plekken en struweel ertussen. Het nest ligt op de grond aan de voet van een graspol of onder een steen. In de winter dalen de vogels naar lager gelegen eikenbos, jeneverbesland en struweel, waar groepen van soms veertig vogels ontstaan. Hij drinkt ook sap uit boorgaten die spechten in boomstammen hebben gemaakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van Noordoost-Sonora en West-Chihuahua en van Noord-Coahuila, West-Nuevo León en Zuidwest-Tamaulipas zuidwaarts over beide Sierra Madre's en de Transmexicaanse Vulkaangordel tot Centraal-Oaxaca ten westen van de Landengte van Tehuantepec, en verder in de bergen van Noord-Chiapas en Guatemala. In de Verenigde Staten beperkt hij zich tot de Sky Islands van Zuidoost-Arizona — Chiricahua, Huachuca, Santa Rita, Pinaleño, Santa Catalina — en de Animas- en Peloncillo Mountains van Zuidwest-New Mexico. Hij trekt niet; de enige verplaatsing is hoogtetrek in de winter. De junco van Zuid-Neder-Californië (Baja California Sur) wordt tegenwoordig als aparte soort gevoerd en valt buiten dit areaal.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op de paden van Mount Lemmon of de Chiricahua Mountains boven 2000 meter, waar hij vaak op enkele meters langs wandelaars over de bodem schuifelt. Bij tegenlicht is de kleur van het oog niet zichtbaar; let dan op de manier van voortbewegen — schuifelend lopen in plaats van huppen scheidt hem al van elke grijze junco in hetzelfde bos.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op ruim 4 miljoen volwassen vogels en de trend geldt als stabiel; de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. De Amerikaanse deelpopulatie is klein en beperkt tot een handvol geïsoleerde bergtoppen, waardoor grote bosbranden in de Chiricahua- en Huachuca Mountains lokaal een sterk effect kunnen hebben. Langlopende tellingen ontbreken voor het grootste deel van het Mexicaanse areaal, zodat de trend daar vooral op schattingen berust.

Wetenschappelijke naam

Junco phaeonotus | Wagler, 1831

Wagler beschreef de soort in 1831 in hetzelfde werk waarin hij het geslacht Junco invoerde; omdat ze nooit naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam gaat terug op het Latijnse iuncus 'bies', via een Spaanse vogelnaam. De soortnaam phaeonotus komt van het Oudgriekse phaios 'donker' en -nōtos 'gerugd', dus 'met donkere rug'. De Nederlandse, Engelse en Spaanse namen noemen alle drie het oog: geeloog, Yellow-eyed en ojilumbre, letterlijk 'vuuroog'. Het beschreven exemplaar kwam uit Mexico.