Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Grijze junco

Grijze junco | Junco hyemalis

Dark-eyed Junco | Junco ojioscuro

De grijze junco is de talrijkste wintergast onder de voedertafels van Noord-Amerika: een kleine, ronde gors met een egale kap, een witte buik, een roze snavel en witte buitenste staartpennen die bij elke opvlucht oplichten. Onder de ene soortnaam vallen zes uiterlijk sterk verschillende groepen, van het leigrijs van het oosten tot het bruinruggige type van de westkust.

Grijze junco (Junco hyemalis)
Foto: Channel City Camera Club — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een gelijkmatige, muzikale triller van 7 tot 23 noten die tot twee seconden duurt en enkele honderden meters draagt. Beide geslachten brengen daarnaast een zachte, tien meter ver hoorbare mengzang van fluittonen, trillers en gekwetter. De roep is een hoog, kort tik, snel herhaald in de vlucht en traag tijdens het fourageren, een scherp maar helder kjoe dat afstand afdwingt tussen vogels in een groep, en een hoge, snelle kwettering van 6 tot 19 noten bij ruzie of bij het opvliegen uit dekking.

Luister: ZangXC1153566

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Upper Barker Pass Rd, Placer County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Een compacte gors met een kleine kegelvormige snavel die meestal lichtroze is, donkere ogen en witte buitenste staartpennen die als twee witte wiggen zichtbaar worden zodra de vogel wegvliegt. De scheidslijn tussen de donkere borst en de witte buik is scherp en recht. De leikleurige groep van het oosten en het noorden is vrijwel egaal donkergrijs; de bruinruggige groep van het westen heeft een zwartige kap, een bruine rug en roodbruine flanken; de roze-flankgroep is bleekgrijs met breed roodbruin op de zijden; de grijskopgroep is licht grijs met een roestbruine rug; de roodruggige groep uit Arizona en New Mexico lijkt daarop maar heeft een tweekleurige snavel met een donkere bovensnavel; de witvleugelgroep van de Black Hills heeft twee smalle witte vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

De geeloogjunco uit de bergen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico komt daar in hetzelfde bos voor als de roodruggige groep van de grijze junco: de geeloogjunco heeft een geeloranje iris en een lichtere, meer schuifelende gang, de grijze junco een donkere iris. De zwartkingors heeft een roze snavel, een langere staart zonder wit en een gestreepte roodbruine rug. Voor het onderscheid tussen de groepen onderling zijn de kleur van de rug, de scherpte van de borstlijn en de kleur van de flanken doorslaggevend; tussenvormen komen voor waar twee groepen elkaar raken.

Leefgebied

Broedt in naaldbos en gemengd bos van zeeniveau tot boven 3400 meter, met een voorkeur voor open plekken, bosranden en kapvlakten met dichte kruidlaag. Het nest ligt op de grond in een kuiltje in een helling of tussen boomwortels. In de winter is het leefgebied veel breder: open bos, akkerranden, wegbermen, parken en tuinen, waar groepen onder struiken en voedertafels zaad van de grond oppikken. In het zuidwesten zit hij dan ook in jeneverbes en droog dennenbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van West-Alaska door heel Canada tot Newfoundland en zuidwaarts in de westelijke bergen tot in Noord-Mexico, en in het oosten langs de Appalachen tot in Noord-Georgia. In het grootste deel van de westelijke Verenigde Staten en het zuiden van Canada is de soort het hele jaar aanwezig, waarbij hoogtetrek de bergvogels in de winter naar de dalen brengt. De wintergrens ligt in het zuiden bij de Golfkust en Noord-Florida; in Mexico bereiken groepen Neder-Californië, Sonora, Chihuahua, Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas. De verdeling over de Mexicaanse deelstaten is afgeleid uit de areaalbeschrijving en niet uit een gemeten kaart.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Let op de staart en niet op de kleur: het wegflitsen van twee witte buitenste staartpennen uit een wegberm is het snelste kenmerk, ook bij een vogel die maar even zichtbaar is. Noteer in de winter welke groep je voor je hebt — in het midden van het continent overlappen drie of vier groepen elkaar, en de melding van een bruinruggige vogel ver naar het oosten of een leikleurige ver naar het westen is nuttig.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 220 miljoen vogels; de soort is niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 wel een afname van ongeveer 31 procent zien, een daling die door de omvang van de populatie lang onopgemerkt bleef. Botsingen met ruiten zijn een van de best gedocumenteerde doodsoorzaken, doordat winterende groepen dicht bij bebouwing fourageren. De vorm van het eiland Guadalupe wordt tegenwoordig als aparte soort gevoerd en valt buiten deze beoordeling.

Wetenschappelijke naam

Junco hyemalis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla hyemalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Junco werd in 1831 ingevoerd door Johann Georg Wagler; het woord gaat terug op het Latijnse iuncus 'bies', via een Spaanse vogelnaam, en slaat niet op het leefgebied van deze soort. De soortnaam hyemalis is Latijn voor 'van de winter' en verwijst naar de tijd van het jaar waarin het beschreven exemplaar in Virginia en de Carolina's werd verzameld. De Engelse naam Dark-eyed Junco zet de donkere iris tegenover die van de geeloogjunco.