Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roodstaartgors

Roodstaartgors | Passerella iliaca

Fox Sparrow | Chingolo zorruno

De roodstaartgors is een van de grootste en zwaarstgebouwde Nieuwe-Wereldmussen: een forse grondvogel met een dikke snavel en een zware, driehoekige vlekkentekening op de borst. Onder één naam gaan vier sterk verschillende vormgroepen schuil, van vossenrood in het oosten tot leigrijs in het Grote Bekken en donkerbruin langs de Grote Oceaan.

Roodstaartgors (Passerella iliaca)
Foto: U.S. Fish and Wildlife Service - Midwest Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van ongeveer twaalf volle, gefloten noten van twee tot drie seconden, gebracht vanaf een gedekte zitplaats midden in struweel. Oostelijke vogels hebben één of twee zangtypen per mannetje, westelijke drie of vier, en de westelijke zang klinkt schraler en meer schurend. De contactroep is een scherpe smak, in toon verschillend per vormgroep, daarnaast een dun tsip en een laag tsjoe-tsjoe. Vrouwtjes zingen soms een kortere, zachtere versie.

Luister: ZangXC1101580

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Cedarville Township (near Cedar River), Menominee County, Michigan, United States · xeno-canto

Herkenning

Een zware gors met een ronde kop, een korte dikke snavel en een betrekkelijk lange staart die vaak roodbruiner is dan de rug. De onderdelen dragen grove, omgekeerd V-vormige vlekken die op het borstmidden samenlopen tot één grote vlek. De rode groep is roestrood van staart en vleugels met grijs op kop en nek; de leikleurige groep heeft een egaal grijze kop en rug met roodbruine vleugels; de dikbekgroep lijkt daarop maar heeft een zware, stompe snavel; de roetkleurige groep van de Pacifische kust is vrijwel effen donkerbruin met dof bruine vlekken. De snavel loopt van geelachtig tot donkergrijs.

Verwarrings­soorten

De zanggors is de vogel waarmee hij het vaakst wordt verwisseld, maar is duidelijk kleiner en slanker, heeft fijne bruine streping in plaats van grove vlekken, en een gestreepte kop met een donkere baardstreep en een lichte wenkbrauwstreep — de roodstaartgors heeft een vrijwel ongetekende kop. De Californische towie is groter en langstaartiger, effen bruin en ongevlekt van onderen. De toendragors heeft een roodbruine kruin en een ongevlekte borst met één centrale stip. Let verder op het fourageren: de roodstaartgors woelt met beide poten tegelijk in de strooisellaag, in een sprong voorwaarts en achterwaarts.

Leefgebied

Broedt in dicht, laag struweel: wilgen- en elzenstruweel langs beken in de taiga, dwergberkenvlakten aan de boomgrens, en in het westen chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat) en struweelvelden op grote hoogte tot boven 3000 meter. Buiten het broedseizoen zit hij in dicht kreupelhout, bosranden, braamstruweel en beschutte stadstuinen, waar hij onder voedertafels in het afgevallen zaad komt woelen. Open, kale grond mijdt hij; hij blijft altijd binnen een sprong van dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van West-Alaska en de Aleoeten door heel boreaal Canada tot Newfoundland, en zuidwaarts langs de westelijke berggebieden tot in de Sierra Nevada en de Rocky Mountains van Colorado. Langs de Pacifische kust van Brits-Columbia, Washington, Oregon en Californië is de soort het hele jaar aanwezig, doordat broedvogels uit het noorden de plaats innemen van zuidwaarts vertrokken lokale vogels. De winterverspreiding valt uiteen in twee blokken: een Pacifische strook van Zuidwest-Brits-Columbia tot Neder-Californië, en een oostelijk blok van de Ohiovallei tot de Golfkust en Florida. In Noord-Mexico komt hij in kleine aantallen voor in Neder-Californië, Sonora en Chihuahua.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Luister in de winter naar het geluid van het woelen zelf: het harde, ritmische krabben in droog blad onder een dichte struik verraadt hem eerder dan het zicht. De beste kans in het oosten is een voedertafel met struikgewas ernaast, tussen eind oktober en april. Noteer bij elke waarneming de kleur van rug, staart en snavel — de vier vormgroepen zijn in het veld te scheiden en worden mogelijk ooit als aparte soorten behandeld.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 35 miljoen vogels; de aantallen zijn sinds 1966 stabiel en de soort geldt als niet bedreigd (LC). De indeling in één of meer soorten ligt nog niet vast. De afzonderlijke vormgroepen zijn ongelijk verdeeld: de dikbekvorm van de Sierra Nevada en enkele kustvormen van Zuid-Alaska hebben kleine arealen en worden apart gevolgd. Grootschalige kap van struweel en aanleg van bebouwing aan de Pacifische kust raken vooral de overwinteringsgebieden.

Wetenschappelijke naam

Passerella iliaca | (Merrem, 1786)

Merrem beschreef de soort in 1786 als Fringilla iliaca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerella werd in 1837 ingevoerd door William Swainson als verkleinvorm van het Latijnse passer 'mus'. De soortnaam iliaca komt van het Latijnse ilia 'flanken' en verwijst naar de tekening op de zijden. De Engelse naam Fox Sparrow en de Spaanse chingolo zorruno slaan allebei op het vossenrood van de oostelijke vorm; de Nederlandse naam licht de roodbruine staart eruit. De typelocatie is later beperkt tot Quebec.