Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Toendragors

Toendragors | Spizelloides arborea

American Tree Sparrow | Chingolo arbóreo

De toendragors broedt op de boomgrens van Alaska en Noord-Canada en overwintert in het noorden van de Verenigde Staten en het zuiden van Canada, waar hij in groepjes in onkruidvelden en langs bosranden foerageert. In het grootste deel van het gidsgebied is hij dus juist in de koudste maanden aanwezig.

Toendragors (Spizelloides arborea)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zoete, hoge warreling die in toonhoogte daalt en aan het eind raspend wordt: twee of drie heldere fluitnoten gevolgd door een snellere, ruwere reeks. Mannetjes beginnen al in de late winter te zingen, voordat ze noordwaarts trekken. De gewone roep is een helder, tweelettergrepig tiel-wiet, en een foeragerende groep laat voortdurend een zacht, tinkelend tsiet horen dat op afstand als rinkelende belletjes klinkt.

Luister: RoepXC1049465

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Nadeau Township (near Carney), Menominee County, Michigan, United States · xeno-canto

Herkenning

Een gors met een roestbruine kruin en een roestbruine oogstreep op een grijze kop, een gestreepte bruine rug, één witte vleugelstreep en een lange, dunne staart. De onderdelen zijn effen grijs met een donkere vlek midden op de borst; de flanken zijn licht beigebruin aangelopen. De snavel is tweekleurig: donker van boven, geel van onderen. In winterkleed lijkt de vogel gedrongen doordat hij de veren opzet. Man en vrouw zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De musgors in winterkleed is de belangrijkste verwarringssoort: die heeft een geheel donkere snavel, geen borstvlek, een grijze stuit en een scherpere, donkere oogstreep die door het oog loopt in plaats van erachter. De veldgors heeft een geheel roze snavel, een witte oogring en geen borstvlek. De zanggors heeft een zwaar gestreepte borst waarvan de vlek deel uitmaakt van de streping, niet een losse stip op een effen grond. De tweekleurige snavel is bij alle standen het snelste kenmerk.

Leefgebied

Broedt in de overgangszone waar het noordelijke bos in toendra overgaat: struwelen van els, wilg, berk en verspreide sparren, vaak bij veen en beeklopen. In de winter zoekt hij onkruidvelden, moerasranden, houtwallen, open bos en in bewoond gebied tuinen en parken, waar hij aan voedertafels op gierst afkomt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied strekt zich uit over Alaska, Yukon, de Northwest Territories, Nunavut en de noordrand van de provincies tot in Labrador. De winterverspreiding ligt volledig ten zuiden daarvan: het zuiden van Canada en de noordelijke helft van de Verenigde Staten, ruwweg van Washington, Idaho en Montana oostwaarts tot New England en zuidwaarts tot Kansas, Missouri, Kentucky en Virginia. Hij trekt laat in het najaar en vroeg in het voorjaar; vrouwtjes overwinteren gemiddeld iets zuidelijker dan mannetjes.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in december en januari een onkruidveld of een rietkraag met zaaddragende stengels boven de sneeuw en let op het tinkelende contactgeluid van de groep. Foeragerende vogels slaan met de vleugels tegen graspluimen die boven de sneeuw uitsteken om de zaden los te maken — een handeling die van dichtbij goed te volgen is.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC). De wereldpopulatie wordt op ongeveer 26 miljoen vogels geschat en Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) geeft de soort 10 van 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20), de laagste zorgklasse. Toch staat ze op de lijst van algemene soorten met een sterke afname: de aantallen dalen gestaag, ook al is de vogel nog talrijk. Genoemde knelpunten zijn ontwikkeling van het broedgebied in het noorden en, plaatselijk, arseenbelasting in gebieden met goudwinning.

Wetenschappelijke naam

Spizelloides arborea | (Wilson, 1810)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1810 als Fringilla arborea naar een exemplaar uit Pennsylvania; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam arborea is Latijn voor 'van de bomen' en werd gegeven vanwege de gelijkenis met de Europese ringmus, die in het Engels Tree Sparrow heet; de vogel is zelf niet bijzonder boomgebonden en nestelt op de grond. Het geslacht Spizelloides werd in 2014 ingevoerd door Slager en Klicka: de naam betekent 'lijkend op Spizella', nadat genetisch onderzoek had laten zien dat de soort ver van de echte Spizella-gorzen staat. De Nederlandse naam verwijst naar het broedgebied in plaats van naar bomen.