Alle soorten › Duikers › Duikers › Geelsnavelduiker
Geelsnavelduiker | Gavia adamsii
Yellow-billed Loon | Colimbo de Adams
De geelsnavelduiker is de grootste en zeldzaamste van de vijf duikersoorten ter wereld: een fors dier met een rechte, licht naar boven gerichte snavel die geelachtig tot ivoorkleurig is. Hij broedt in kleine, verspreide aantallen op afgelegen toendrameren in het noorden van Alaska en Canada en brengt de rest van het jaar door op zee.
Geluid
Het mannetje laat een lang aangehouden, klagende jodel horen die ver over het toendrawater draagt: oe-lie-oe-oe-oe. Bij onraad slaan paren over in een schril, lachend getril, en van dichtbij is ook een kort, blaffend geluid te horen. Op het water in de winter is de soort meestal stil; alleen bij onderling contact klinkt een kort, hard kwok.
Opname: Seth Beaudreault (Toolik Field Station) — CC BY-NC-SA 4.0 · Toolik Field Station, North Slope, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed is de geelsnavelduiker zwart-wit: een blinkend zwarte kop en hals met een wit halsbandje, een rug vol witte blokjes en helderrode ogen. De snavel is dan al het kenmerk bij uitstek: geheel ivoorgeel tot citroenkleurig, met een rechte bovenrand en een naar boven wijkende onderrand, waardoor de vogel de snavel iets omhoog lijkt te dragen. In winterkleed wordt de vogel effen zandbruin op kop en hals, met een lichte, ivoorkleurige snavel die dan het enige echt bruikbare kenmerk is. Jonge vogels lijken op winterse volwassenen maar hebben een iets vager getekende rug. De dikke nek en de blokkige kop geven de vogel ook op afstand een zwaardere aanblik dan andere duikers.
Verwarringssoorten
Het grootste verwarringsrisico is de ijsduiker, die sterk overeenkomt in grootte en gedrag maar altijd een donkere lijn over de bovenkant van de snavel behoudt, ook in een verder lichte winterkleed; bij de geelsnavelduiker ontbreekt die lijn volledig. De ijsduiker heeft bovendien een rechtere, minder opgewipte snavel en een spitsere kopvorm. Kleinere soorten als de Pacifische parelduiker en de parelduiker vallen door hun formaat en dunnere snavel snel af.
Leefgebied
Hij broedt op grote, heldere toendrameren met een onregelmatige oever en een waterdiepte van minstens enkele meters, ver van bomen en meestal op een eiland of een landtong die bescherming biedt tegen roofdieren. Buiten het broedseizoen zoekt hij beschutte kustwateren, baaien en zeestraten op met een zachte bodem, waar hij op vis duikt. Grote, open binnenmeren en rivieren dienen als tussenstop op de trek. Open akkerland en bos mijdt hij volledig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt verspreid over de laagvlakte-toendra van het noorden van Alaska en het aangrenzende noordwesten van Canada, met de zwaarste concentratie op de National Petroleum Reserve in Alaska. Vandaar trekt hij naar beschutte kustwateren, vooral voor de kust van Brits-Columbia, in kleinere aantallen zuidelijker tot Washington. De wereldpopulatie wordt op nog geen twintigduizend vogels geschat; de aantallen lijken stabiel of licht dalend, en verstoring en vervuiling van de broedmeren vormen een risico.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de winter vanaf een boot of een hoog kustpunt in Brits-Columbia, waar hij tussen de veel talrijkere ijsduikers opduikt; let dan vooral op de snavelkleur en -vorm, niet op de grootte alleen. Rond de eilanden en zeestraten van Haida Gwaii duikt hij het meest voorspelbaar op.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt geschat op nog geen twintigduizend broedvogels, wat hem tot de zeldzaamste duikersoort maakt; de aantallen lijken stabiel of licht dalend en de IUCN plaatst haar in de categorie gevoelig (NT). Ruim negentig procent van de Alaskaanse broedvogels zit in een gebied dat openstaat voor olie- en gaswinning, wat de belangrijkste bedreiging vormt. Op zee loopt hij bovendien risico door verstrikking in visnetten.
Wetenschappelijke naam
Gavia adamsii | (Gray, 1859)
De Britse zoöloog George Robert Gray beschreef de soort in 1859 als Colymbus adamsii; ze is sindsdien in het geslacht Gavia geplaatst, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Gavia is Latijn voor een zeevogel en werd al voor de familie van de duikers gebruikt. De soortaanduiding adamsii eert Edward Adams, een Britse scheepsarts en natuuronderzoeker die het typemateriaal verzamelde. De typelocatie is Alaska, destijds nog Russisch Amerika.



