Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Gele zwartkeelzanger
Gele zwartkeelzanger | Setophaga virens
Black-throated Green Warbler | Reinita dorsiverde
De gele zwartkeelzanger is de oostelijke soort van de zwartkeelgroep: geel gezicht, olijfgroene rug en bij het mannetje een zwarte keel en bovenborst. Hij broedt in naald- en gemengd bos van de boreale zone tot de Appalachen, en houdt zich vrijwel altijd hoog in de kroon op.
Geluid
De zang is een korte, gezoemde reeks van vijf notities, meestal genoteerd als zie-zie-zie-zoe-ziet, met een lage vierde noot; een tweede type luidt zoe-zie-zoe-zoe-ziet. De klank is nasaal en ademend en draagt ver door gesloten bos. Het mannetje zingt aanhoudend: van één vogel zijn in een uur 466 zangen geteld. De roep is een scherpe tsip, het vluchtgeluid een hoog, dun siet.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Williamsburg, Hampshire County, Massachusetts, United States · xeno-canto
Herkenning
Het gezicht is geel met een olijfgroene oogstreep en olijfgroene kruin; rug en mantel zijn olijfgroen. Het mannetje heeft een zwarte keel en bovenborst die naar de flank in zwarte strepen overgaat; de buik is wit met een gele waas op de onderstaart. Twee brede witte vleugelstrepen en witte buitenste staartpennen zijn duidelijk. Vrouwtjes en jonge mannetjes hebben een bleke keel met zwarte vlekken op de borst in plaats van een egaal zwart veld. Het gele gezicht blijft in alle kleden en op elke leeftijd aanwezig en maakt de soort ook in het herfstkleed goed herkenbaar.
Verwarringssoorten
Townsends zanger heeft een zwarte wangvlek in het gele gezicht en meer geel op de borst, en de arealen overlappen alleen op de trek in het westen. De heremietzanger heeft een geheel geel gezicht zonder groene oogstreep en een grijze rug. De geelwangzanger van Centraal-Texas heeft een zwarte kruin en een zwarte oogstreep door een fel geel gezicht. In het najaar lijkt het kleed van jonge vogels sterk op dat van andere Setophaga-soorten, maar de combinatie van geel gezicht, olijfgroene rug en gele waas op de onderstaartdekveren blijft bruikbaar.
Leefgebied
Naald- en gemengd bos: sparren-zilverspar in de boreale zone, hemlock- en witteden-bos in het noordoosten, en hemlockravijnen in de Appalachen. Hij zoekt dichte naaldhoutopstanden op en foerageert aan de uiteinden van hoge takken. Een aparte, van het hoofdareaal gescheiden populatie aan de kust van Virginia en de Carolina's broedt in moerascipresbos en natte dennenvlakten. In het winterkwartier gebruikt hij bergnaaldbos, dennen-eikenbos, koffieplantages met schaduwbomen en mangrove.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Noordoost-Brits-Columbia en Alberta oostwaarts door het boreale Canada tot Newfoundland, en zuidwaarts over de Grote Meren en New England tot in de Appalachen, waar het areaal tot Noord-Georgia reikt. De trek verloopt breed over het oosten van de Verenigde Staten en de Golfkust; hij overwintert van Noordoost-Mexico en Yucatán zuidwaarts door Midden-Amerika, met kleine aantallen in Zuid-Florida en op de Grote Antillen. Een deel van de vogels bereikt Colombia en Ecuador, buiten het gidsgebied.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei in gemengd bos met hemlock of spar en laat het oor het werk doen: de gezoemde reeks van vijf notities is op tientallen meters te horen terwijl de vogel zelf onzichtbaar in de kroon zit. Wacht bij een open plek of een bosrand tot hij naar de buitenste takken komt; dan komt het gele gezicht in beeld.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC) en is over het grootste deel van het areaal talrijk; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat over de laatste halve eeuw een licht dalende tot stabiele trend zien. De kustpopulatie van Virginia en de Carolina's is klein en afhankelijk van oud moerascipresbos, waarvan nog weinig over is. In het noordoostelijke deel van het areaal verdwijnt door de gelede hemlockwolluis, een ingevoerde insectenplaag, veel van het hemlockbos dat de soort daar gebruikt.
Wetenschappelijke naam
Setophaga virens | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla virens; omdat ze later naar Setophaga is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse sēs 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam virens is Latijn voor 'groenend, groen zijnd' en verwijst naar de olijfgroene bovendelen. De typelocatie werd in 1910 beperkt tot Philadelphia in Pennsylvania.



