Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Grijze zwartkeelzanger
Grijze zwartkeelzanger | Setophaga nigrescens
Black-throated Gray Warbler | Reinita gris
De grijze zwartkeelzanger is de westelijke soort van de zwartkeelgroep en de enige daarvan zonder geel of groen in het kleed: hij is alleen zwart, grijs en wit, met één klein geel stipje voor het oog. Hij hoort bij droog bos van pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten), jeneverbes en eik in het westen van Noord-Amerika.
Geluid
De zang bestaat uit vier tot zeven gezoemde notities, waarvan de eerste twee of drie in paren worden herhaald en de voorlaatste hoger ligt dan de rest, ongeveer zwie-zie zwie-zie zwie-ZIE-tsjoe. Er zijn twee luide varianten en een zachte versie die vlak bij het nest klinkt. De roep is een scherpe, dikke tup; het vluchtgeluid een hoog, dun sie.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Elk Mtn Rd, Lake County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een zwarte keel en bovenborst, een zwarte kruinstreep, een zwarte oogstreep en daartussen een witte wenkbrauwstreep en een witte streep onder de wang — het gezicht is daardoor in zwart-witte banen verdeeld. De rug is effen grijs met vage donkere streepjes, de flanken zijn zwart gestreept, de buik is wit en er zijn twee witte vleugelstrepen. Voor het oog zit een geel stipje, vaak nauwelijks zichtbaar. Het vrouwtje heeft een witte keel met hooguit zwarte vlekjes en een grauwer gezicht. Het verenkleed is mat en zonder glans.
Verwarringssoorten
De bonte zanger is eveneens zwart-wit maar heeft een zwart-wit gestreepte kruin en rug en kruipt als een boomklever langs stam en takken. De zwartkopzanger, het mannetje in zomerkleed, heeft een geheel zwarte kap zonder witte wenkbrauw. De Amerikaanse matkop en andere mezen hebben geen gestreepte flanken en geen vleugelstrepen. Vrouwtjes en jonge vogels lijken op die van Townsends zanger, maar die hebben altijd geel op gezicht en borst.
Leefgebied
Droog, open bos met struikondergroei: pinyon-jeneverbes, eik, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat) en gemengd naaldbos van de lagere berghellingen, doorgaans tussen 600 en 2500 meter. Hij foerageert laag tot halfhoog, in struiken en de onderste takken, en niet in het topje van de kroon. Gesloten, vochtig naaldbos mijdt hij. In het winterkwartier in West-Mexico gebruikt hij droog doornstruweel, dennen-eikenbos en tuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Zuidwest-Brits-Columbia zuidwaarts tot Noord-Neder-Californië en oostwaarts tot Zuid-Montana, Colorado en New Mexico. De trek verloopt kort en over land; het grootste deel overwintert in West-Mexico, van Zuid-Neder-Californië en Sonora zuidwaarts tot Oaxaca, met kleine aantallen aan de kust van Zuid-Californië en in Zuid-Arizona. In het najaar duikt hij regelmatig als dwaalgast op in het oosten van Noord-Amerika.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem van mei tot juli in pinyon-jeneverbesbos van het Grote Bekken of het Colorado Plateau en volg de gezoemde zang naar een vogel die laag in de struiken werkt. Het zwart-witte kopatroon is ook tegen het licht af te lezen; het gele stipje voor het oog vraagt om een kijker en goed licht en is geen voorwaarde voor de determinatie.
Staat van instandhouding
De soort is talrijk en wijdverbreid en geldt als niet bedreigd (LC); de aantallen zijn over de laatste decennia grotendeels stabiel. Het grootschalig verwijderen van pinyon-jeneverbesbos voor veeteelt en de toenemende bosbranden in het droge westen verkleinen wel het areaal geschikt bos. Ook kan verdergaande verdroging het bostype naar hoger gelegen hellingen verschuiven.
Wetenschappelijke naam
Setophaga nigrescens | (Townsend, 1837)
Townsend beschreef de soort in 1837 als Sylvia nigrescens; omdat ze later naar Setophaga is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse sēs 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam nigrescens is Latijn voor 'zwart wordend' en verwijst naar de donkere kop- en keeltekening. De exemplaren waarop de beschrijving berust, kwamen uit de omgeving van Fort William bij Portland in Oregon.




