Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Kastanjerugmees

Kastanjerugmees | Poecile rufescens

Chestnut-backed Chickadee | Carbonero dorsicastaño

De kastanjerugmees is de mees van de natte naaldbossen langs de Pacifische kust. Hij is de enige Noord-Amerikaanse mees met een kastanjebruine rug; kap en keelvlek zijn roetbruin in plaats van zwart. Het areaal is een smalle strook van Zuidoost-Alaska tot de kust van Midden-Californië, en hij blijft er het hele jaar.

Kastanjerugmees (Poecile rufescens)
Foto: Nigel — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een snelle, schrapende tsjik-a-dee-dee, hoger en heser dan die van de Amerikaanse matkop, met de dee-notities dichter op elkaar. Daarnaast klinken dunne, ijle tsie-tsie-notities waarmee de leden van een foeragerende troep elkaar in de kroon volgen. Een gefloten territoriumzang zoals de fee-bie van de Amerikaanse matkop ontbreekt bij deze soort. Een vrouwtje dat in de nestholte wordt gestoord, blaast met een sissend geluid en een schokkende beweging naar voren.

Luister: RoepXC1149498

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Upper Fish Hatchery Road, Sequim, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Kleine, kortsnavelige mees met een grote kop. De kap loopt tot in de nek en is donker roetbruin, niet zwart; de wang is wit en steekt daar scherp tegen af. De keelvlek is zwartbruin en klein. Rug, schouders en stuit zijn helder kastanjebruin — het kenmerk waaraan de soort in één oogopslag te herkennen is. De flanken zijn eveneens kastanjebruin bij vogels van Alaska tot Noordwest-Californië, maar bij de vormen van de kust van Midden- en Zuidwest-Californië (neglectus en barlowi) grijs. Vleugels en staart zijn grijs met lichte veerranden, de buik is wit.

Verwarrings­soorten

Geen andere mees van het gebied heeft een kastanjebruine rug. De hudsonmees heeft ook een bruine kap, maar een dof grijsbruine rug zonder kastanje, en beide soorten komen vrijwel nergens samen voor. Gambels mees, die in Californië en de Cascaden op grotere hoogte leeft, heeft een witte wenkbrauwstreep door de zwarte kap en is verder grijs. De Amerikaanse matkop heeft een glanzend zwarte kap, een grijze rug en okerkleurige flanken; bij grijsflankige kastanjerugmezen in Midden-Californië blijft de kastanjebruine rug het beslissende kenmerk. Ook op silhouet is de soort korter van staart dan de Amerikaanse matkop.

Leefgebied

Vochtig, dicht naaldbos op geringe hoogte, met douglasspar, westelijke hemlock, westerse levensboom, sitkaspar en in het zuiden kustsequoia. De soort houdt zich op in het koele, mistige kustklimaat en dringt landinwaarts alleen door langs vochtige dalen. Daarnaast broedt hij in voorsteden en stadsparken met opgeschoten coniferen, onder meer rond de baai van San Francisco. Genesteld wordt in een holte in dood hout, meestal een oude spechtenholte of een zelf uitgeknaagde holte in rot hout; het vrouwtje bouwt een kussen van mos en repen bast en dekt de eieren af met een dot haar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Prince William Sound en Zuidoost-Alaska zuidwaarts langs de kust van Brits-Columbia, Washington en Oregon tot de kust van Midden-Californië, met de zuidgrens rond Santa Barbara. Landinwaarts ligt een gescheiden populatie in Noord-Idaho, Noordoost-Washington en het uiterste noordwesten van Montana. Trek in de gewone zin is er niet; wel schuiven vogels in de winter van hogere naar lagere hellingen. In de twintigste eeuw breidde de soort zich uit naar het zuiden in Californië en naar beplante woonwijken.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de winter in gemengde foerageertroepen met goudhaantjes, boomklevers en Amerikaanse boomkruipers; de hese, snelle roep verraadt de troep voordat je de vogels ziet. In het bos zit hij vaak hoog in de douglassparren, in tuinen juist laag in de heesters. Laat je niet leiden door de flankkleur, die van noord naar zuid verandert, maar door de rug.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 9,7 miljoen vogels, waarvan bijna twee derde in de Verenigde Staten en ruim een derde in Canada. De tellingen van de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laten tussen 1966 en 2015 een afname van ongeveer 56 procent zien, terwijl de soort tegelijk nieuwe voorstedelijke gebieden bezette. Het knelpunt ligt bij het bosbeheer: zonder staand dood hout en afgestorven takken zijn er geen nestholten. De Rode Lijst-status is niet bedreigd (LC).

Wetenschappelijke naam

Poecile rufescens | (Townsend, 1837)

John Kirk Townsend beschreef de soort in 1837 als Parus rufescens; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poecile werd in 1829 ingevoerd door Johann Jakob Kaup, naar het Griekse poikilos 'bont, gevlekt'. De soortnaam rufescens is Latijn voor 'roodachtig wordend', naar de kastanjebruine rug. Het beschreven materiaal kwam uit de bossen langs de Columbia, vermoedelijk bij Fort Vancouver in Washington.