Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Bruinkopmees

Bruinkopmees | Poecile cinctus

Grey-headed Chickadee | Carbonero lapón

De bruinkopmees is de enige mees van de wilgenzoom aan en boven de boomgrens in Noord-Alaska en Noordwest-Canada. In Eurazië is hij wijdverbreid van Scandinavië tot Kamtsjatka; in Noord-Amerika is hij sinds 2018 niet meer met zekerheid vastgesteld.

Bruinkopmees (Poecile cinctus)
Foto: Jargal Lamjav — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het stemgeluid bestaat uit lage, nasale en langgerekte tsjee-tsjee-notities, trager en meer slepend dan bij de hudsonmees, afgewisseld met dunne hoge sie-roepjes. In het Noord-Amerikaanse deel van het areaal is er weinig geluidsmateriaal, doordat er zelden waarnemers komen; de beschrijvingen berusten grotendeels op Eurazische vogels.

Luister: ZangXC1168750

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Kaamanen, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een mees van 13 tot 14 cm en 11 tot 14 gram, met een grote, pluizige kop. De kruin is grijsbruin, niet zwart, en de witte wang is uitgebreid en loopt ver in de nek door. De keel draagt een zwarte bef, de mantel is kaneelbruin en de bleke randen aan de armpennen vormen een licht vleugelpaneel. De flanken zijn roestbruin, in de winter het sterkst. De soort verdraagt temperaturen tot ongeveer -60 °C en legt daarvoor in de nazomer en de herfst grote voorraden zaden en insecten aan, weggestopt in schorsspleten en tussen naalden.

Verwarrings­soorten

De hudsonmees is de enige echte verwarringssoort en overlapt met hem in binnenland-Alaska. Die is kleiner, heeft een donkerdere, meer roetbruine kruin, een kleinere en grauwere wangvlek die niet zo ver in de nek doorloopt, dofferbruine flanken en geen licht vleugelpaneel. De zwartkopmees heeft een zwarte pet en een zuiver witte wang zonder bruin. Bij een vogel in het uiterste noorden van Alaska is het areaal een hulp: de hudsonmees komt zelden tot in de wilgenzoom boven de boomgrens.

Leefgebied

Open wilgen- en dwergberkenstruweel langs riviervlakten en aan de voet van bergen, en ijle sparrenopstanden aan de boomgrens. In Eurazië gaat het om oud, met korstmos begroeid naaldbos en berkenbos; oude opstanden worden verkozen boven jonge. Het nest ligt in een holte in een dode spar of wilg, vaak laag bij de grond. De soort is standvogel en blijft het hele jaar in hetzelfde gebied; buiten het broedseizoen bewegen paren en families zich in kleine groepjes en sluiten zich aan bij gemengde troepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In Noord-Amerika beperkt tot de Brooks Range en de riviervlakten ten noorden daarvan in Alaska, het noorden van Yukon en het westen van de Northwest Territories. Het Eurazische areaal loopt van subarctisch Scandinavië door het noordelijke Palearctisch gebied tot Kamtsjatka en Noord-Mongolië. De Noord-Amerikaanse vogels behoren tot de ondersoort lathami, waarvan sinds 2018 geen bevestigde waarneming meer is.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is opgebouwd uit twee lagen die uit een andere hoek komen: wélke seizoenskleur een staat, provincie of land krijgt is een oordeel over de soort; hóe donker die kleur is, volgt uit de waarnemingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gecorrigeerd voor de ongelijke verdeling van waarnemers. Wat de gegevens wel en niet dragen staat op de bronnenpagina. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Noord-Amerika is de kans klein. De gerichte zoektochten richten zich op wilgenstruweel langs rivieren aan de noordzijde van de Brooks Range, bereikbaar per bushvliegtuig, en op de omgeving van de Dempster Highway in Yukon. Let bij elke mees daar op de omvang van de witte wang: die loopt bij deze soort ver in de nek door, bij de hudsonmees niet.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort als niet bedreigd (LC) te boek, dankzij het grote Siberische areaal, maar aan beide randen gaat ze achteruit. In Folldal in Noorwegen daalde het aandeel van deze soort in de mezenpopulatie van 64 procent in 1982 naar één procent in 2011, toegeschreven aan concurrentie, klimaatverandering en de kap van oud bos. Canada plaatste haar in 2024 in de categorie bedreigd, met modelmatig minder dan 250 volwassen vogels, vrijwel alle in Yukon. In Alaska ontbreken bevestigde waarnemingen sinds 2018; in juni 2026 diende het Center for Biological Diversity (een Amerikaanse natuurbeschermingsorganisatie) een verzoek in om de soort onder de Amerikaanse Endangered Species Act (de soortenbeschermingswet) te plaatsen, met klimaatverandering en toenemende ijzelvorming aan de boomgrens als voornaamste redenen en daarnaast mijnbouw en het voorgenomen Ambler-wegproject door de Brooks Range.

Wetenschappelijke naam

Poecile cinctus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Parus cinctus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam cinctus is Latijn voor 'omgord' of 'gebandeerd'. Het geslacht Poecile gaat terug op het Griekse poikilos 'bont, gevlekt', de naam van een kleine vogel bij klassieke auteurs. Het beschreven exemplaar kwam uit Siberië. De Engelse naam Grey-headed Chickadee en de Eurazische naam Siberian Tit slaan op dezelfde soort.