Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Zwartkruinmees
Zwartkruinmees | Baeolophus atricristatus
Black-crested Titmouse | Herrerillo crestinegro
De zwartkruinmees is de mees van Texas en Noordoost-Mexico: grijs met een zwarte kuif boven een wit voorhoofd. Hij vervangt de tweekleurige mees ten westen en ten zuiden van een smalle kruisingszone door centraal Texas.
Geluid
De zang bestaat uit vijf tot zeven snel achtereen gebrachte, naar beneden geslurde frasen, ongeveer pjew pjew pjew pjew pjew. Hij lijkt op die van de tweekleurige mees, maar ligt gemiddeld hoger en gaat sneller. Daarnaast gebruikt hij verschillende versies van een raspend tsjik-a-dee, hoge dunne contactnotities en een aanzwellend scheldkoor waarmee een groepje een uil of slang omringt.
Opname: Phoenix Birder — CC BY-NC-SA 4.0 · Brackettville, Kinney County, Texas, United States · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 15 cm, middengrijs van boven en bleek van onderen, met grijsachtige flanken zonder duidelijke roestkleur. De kuif is bij het mannetje van de nominaatvorm zwart, bij het vrouwtje donkergrijs, en bij jonge vogels kort en grijs. Het voorhoofd is buffwit en steekt scherp af tegen de kuif; de teugel is wit en er staat een witte oogring met een zwart vlekje erboven. De snavel is kort en stevig.
Verwarringssoorten
De tweekleurige mees heeft de omgekeerde koptekening: grijze kuif boven een zwart voorhoofd. In de smalle kruisingszone in centraal Texas en Zuidwest-Oklahoma komen tussenvormen voor met een grauwe, half zwarte kuif en een vuil voorhoofd; die zijn niet tot één van beide soorten terug te brengen. Ook vrouwtjes van de zwartkruinmees met een donkergrijze kuif zijn daar lastig. De ringmees van Arizona en New Mexico is kleiner en heeft een zwart-wit getekend gezicht met een zwarte keelvlek en een zwarte kuifrand. De carolinamees is kleiner, ongekuifd en heeft een zwarte pet en bef.
Leefgebied
Bossen en struwelen van laagland tot ongeveer 2300 meter: eikenbos, mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes)-bosjes, doornstruweel van de Rio Grande, oeverbossen langs beken en naaldbos van de bergen in West-Texas en Noordoost-Mexico. Hij zit ook in tuinen, stadsparken en op erven met opgaande bomen en komt daar op voedertafels. Het nest ligt in een boomholte, oude spechtenhole of nestkast. Het voedsel bestaat overwegend uit insecten, aangevuld met noten, zaden, bessen en mais; voedselopslag is voor deze soort niet vastgesteld, anders dan bij verschillende verwanten in de familie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van centraal en zuidelijk Texas, de Texas Panhandle en Zuidwest-Oklahoma, westwaarts tot de Davis Mountains, en van daar zuidwaarts door Noordoost-Mexico: noordoostelijk Coahuila, Nuevo León, Tamaulipas, San Luis Potosí en verder over de oostrand van de Sierra Madre Oriental via Querétaro en Hidalgo tot zuidelijk Veracruz. Buiten het broedseizoen zwerven kleine groepjes door het territorium en sluiten zich aan bij gemengde foerageertroepen met chickadees, boomklevers en zangers; over grotere afstanden trekt hij niet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de Hill Country van Texas is hij op vrijwel elke voedertafel met zonnebloempitten te zien. Kijk bij twijfel naar het voorhoofd en niet naar de kuif: een wit voorhoofd hoort bij deze soort, een zwart voorhoofd bij de tweekleurige mees, en een vuilgrijs voorhoofd wijst op een vogel uit de kruisingszone.
Staat van instandhouding
De IUCN beoordeelt de soort als niet bedreigd (LC), met een geschatte 1,2 miljoen volwassen vogels en een toenemende trend. Hij past zich aan bebouwd gebied aan en gebruikt nestkasten, waardoor hij in voorsteden en dorpen aanwezig blijft. Waar doornstruweel en mesquite langs de Rio Grande worden gerooid voor akkerbouw verdwijnen de holtebomen, en dat is daar de belangrijkste beperking.
Wetenschappelijke naam
Baeolophus atricristatus | (Cassin, 1850)
Cassin beschreef de soort in 1850 als Parus atricristatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam komt van het Latijnse ater 'zwart' en cristatus 'gekuifd'. Het geslacht Baeolophus komt van het Griekse baios 'klein' en lophos 'kuif'. Het beschreven exemplaar kwam van de Rio Grande in Texas, later beperkt tot het traject tussen Brownsville en Rio Grande City. Vanwege de kruisingszone is de vogel lange tijd als ondersoort van de tweekleurige mees behandeld; sinds 2002 geldt hij weer als aparte soort.






