Alle soortenZangvogelsMezen › Tweekleurige Mees

Tweekleurige Mees | Baeolophus bicolor

Tufted Titmouse | Herrerillo bicolor

De tweekleurige mees is de grootste mees van oostelijk Noord-Amerika: zilvergrijs van boven, wit van onderen, met een spitse grijze kuif, een zwarte vlek boven de snavel en een roestkleurige waas op de flanken. Sinds het midden van de twintigste eeuw heeft hij zijn areaal noordwaarts uitgebreid, tot in Zuid-Ontario en Zuid-Quebec.

Tweekleurige Mees (Baeolophus bicolor)
Foto: Jocelyn Anderson — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkende geluid is een helder gefloten pieter-pieter-pieter, meestal in drie tot zes herhalingen en ver draagend door kaal winterbos. Van die fluit zijn ongeveer twintig varianten beschreven, in toonhoogte en in het aantal lettergrepen. Daarnaast klinkt een raspend, nasaal tsjik-a-dee-achtig scheldgeluid, dat sterk aanzwelt bij een uil of een kat. De soort roept het hele jaar door.

Luister: ZangXC884288

Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · Chapel Hill, Orange County, North Carolina, United States · xeno-canto

Herkenning

Met 14 tot 16 cm en 18 tot 26 gram duidelijk groter dan een chickadee. Zacht zilvergrijs van boven en wit van onderen, met een perzik- tot roestkleurige waas langs de flanken die op afstand vaak het eerst opvalt. De kuif is grijs en spits en wordt opgezet en neergelegd; boven de dikke, stompe snavel staat een zwarte voorhoofdvlek. Het oog is groot en donker en ligt in een effen wit gezicht. Jonge vogels hebben die voorhoofdvlek nog nauwelijks.

Verwarrings­soorten

De zwartkruinmees heeft precies de omgekeerde koptekening: een zwarte kuif boven een wit voorhoofd, terwijl de tweekleurige mees een grijze kuif boven een zwart voorhoofd draagt. In een smalle strook door centraal Texas en Zuidwest-Oklahoma kruisen beide en komen tussenvormen voor met een grauwgrijze of half zwarte kuif en een vuil voorhoofd; die vogels zijn niet op naam te brengen. De carolinamees en de zwartkopmees zijn kleiner, missen de kuif en hebben een zwarte pet en een zwarte bef. De grijze mees en ridgways mees hebben geen roestkleurige flanken en geen zwarte voorhoofdvlek en komen alleen in het Westen voor.

Leefgebied

Loofbos en gemengd bos beneden ongeveer 600 meter, met voorkeur voor opgaand bos met veel dode takken en holtes, waaronder moerasbos en beekbegeleidend bos. Daarnaast tuinen, parken, boomgaarden en bosranden in bebouwd gebied; voedertafels worden het hele jaar bezocht. Bijna tweederde van het jaarrantsoen bestaat uit insecten, met rupsen als hoofdvoedsel in de zomer; verder noten, zaden en bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van oostelijk Noord-Amerika. Het oorspronkelijke zwaartepunt lag in het Ohio- en Mississippibekken; daarna is het areaal noordwaarts opgeschoven tot New England, Zuid-Ontario en het uiterste zuiden van Quebec, met voedertafels als een van de aangewezen oorzaken. De westgrens loopt ongeveer langs de prairierand, van Oost-Nebraska en Oost-Kansas tot Oost-Texas. In Florida ontbreekt hij in het uiterste zuiden. Er is geen trek.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Fluit in de winter het pieter-pieter na op een bospad: de vogel komt vaak binnen een minuut kijken, en meestal komt de hele gemengde troep van chickadees, boomklevers en gouden haantjes mee. Bij de voedertafel is het patroon herkenbaar: hij pakt één zaad, vliegt naar dekking en hakt het daar met de snavel open; overtollige zaden worden in de buurt weggestopt.

Staat van instandhouding

De broedpopulatie wordt geschat op ongeveer acht miljoen vogels en groeide tussen 1966 en 2015 met ruim anderhalf procent per jaar. De IUCN-status is niet bedreigd. De uitbreiding hangt samen met het ouder worden van het oostelijke bos en met wintervoedering; strenge winters in het noorden van het areaal zorgen plaatselijk voor terugslag. Het nest ligt in een boomholte of nestkast, en het aanbod van holtebomen bepaalt in beheerde bossen de dichtheid.

Wetenschappelijke naam

Baeolophus bicolor | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Parus bicolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Baeolophus komt van het Griekse baios 'klein' en lophos 'kuif'; de soortnaam bicolor is Latijn voor 'tweekleurig', naar het grijs boven en wit onder. Als herkomst gaf Linnaeus alleen 'in America septentrionali' op; die aanduiding is later beperkt tot South Carolina.