Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Ladderspecht
Ladderspecht | Dryobates scalaris
Ladder-backed Woodpecker | Pico mexicano
De ladderspecht is de kleine zwart-witte specht van de woestijnen en doornstruwelen van het zuidwesten van de Verenigde Staten en Mexico. Zijn rug is van nek tot stuit fijn zwart-wit gebandeerd, als de sporten van een ladder, en het mannetje draagt een rode kruin. Hij redt zich waar nauwelijks bomen staan en foerageert op mesquite, yucca's, agavestengels en cactussen, vaak ondersteboven hangend aan dunne takjes.
Geluid
De roep is een scherp, droog pik, wat hoger en scherper dan dat van de donsspecht, dat vaak het eerste is wat je van de vogel hoort. Bij opwinding laat hij een snelle, rinkelende rateltril horen die aan het eind in toon daalt en wat vertraagt, vergelijkbaar met de 'hinnik' van de donsspecht. Het trommelen bestaat uit korte, snelle roffels op dode takken, palen en agavestengels.
Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · Ironwood Forest NM southeast of Waterman Mtns, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine specht van 16 tot 19 centimeter met een fijn zwart-wit gebandeerde rug en vleugels, zonder witte rugbaan. Het gezicht is wit met zwarte strepen die samen een driehoek vormen rond de witte wang. De onderkant is vuilwit tot vaalbruin, met kleine zwarte vlekjes en streepjes op borstzijden en flanken; de buitenste staartveren zijn zwart gebandeerd. Het mannetje heeft een rode kruin die van het voorhoofd tot in de nek reikt, met witte spikkels vooraan; het vrouwtje heeft een zwarte kruin.
Verwarringssoorten
Nuttalls specht, die alleen in het zuiden van Californië en het noorden van Baja California met de ladderspecht overlapt en er daar ook mee kruist, heeft meer zwart: een grotendeels zwarte bovenrug met smallere witte banden, een zwartere kop en een wittere onderkant; bij het mannetje beperkt het rood zich tot het achterhoofd. De donsspecht en de haarspecht hebben een witte rugbaan. De gilaspecht is groter, met een effen grijsbruine kop, en de arizonaspecht heeft een effen bruine rug.
Leefgebied
Droge, struikrijke gebieden met weinig bomen: woestijnstruweel met mesquite, paloverde, yucca en cactussen, Joshua-boombossen, doornbos en de randen van droog eikenbos, van zeeniveau tot zo'n 2.300 meter hoogte. Waar zijn gebied dat van verwante spechten raakt, kiest hij de drogere plekken en laat hij rivierbos grotendeels aan hen over. De nestholte hakt het mannetje in een Joshua-boom, wilg, populier, agavestengel of zelfs een hekpaal, meestal op niet meer dan enkele meters hoogte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het zuidoosten van Californië, het zuiden van Nevada en Utah, Arizona, New Mexico, het zuidoosten van Colorado, het zuidwesten van Kansas, het westen van Oklahoma en een groot deel van Texas, zuidwaarts over vrijwel heel Mexico, inclusief Baja California, en plaatselijk door Midden-Amerika tot in Nicaragua. Er worden zo'n tien ondersoorten onderscheiden, die in grootte, snavellengte en de tint van de onderkant verschillen; zuidelijke vogels zijn kleiner en vaalbruiner.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Luister in woestijnstruweel naar het scherpe pik en zoek dan niet alleen op boomstammen: ladderspechten foerageren vaak laag, op yucca's, de bloeistengels van agaves en takjes van mesquite, waar ze draaiend en met gespreide vleugels in evenwicht blijven. In het zuiden van Californië let je bij elke zwart-witte specht op de verdeling van zwart en wit op de bovenrug om hem van Nuttalls specht te scheiden.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 5,9 miljoen broedvogels, en volgens de Breeding Bird Survey bleef de populatie in de Verenigde Staten tussen 1966 en 2015 stabiel. De soort staat op geen enkele waarschuwingslijst. Plaatselijk verdwijnt geschikt leefgebied door verstedelijking en het rooien van woestijnstruweel, maar omdat hij genoegen neemt met schaarse, lage begroeiing is hij daar minder gevoelig voor dan bosspechten.
Wetenschappelijke naam
Dryobates scalaris | (Wagler, 1829)
Johann Georg Wagler beschreef de soort in 1829 als Picus scalaris, naar een exemplaar uit Mexico; Oberholser beperkte de typelocatie in 1911 tot centraal Veracruz. Omdat de soort sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dryobates, in 1826 ingevoerd door Friedrich Boie, komt van het Griekse drus 'boom' en batēs 'klimmer'; scalaris is afgeleid van het Latijnse scalae 'ladder' en verwijst, net als de Nederlandse en Engelse naam, naar het gebandeerde rugpatroon.

