Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Luciferkolibrie
Luciferkolibrie | Calothorax lucifer
Lucifer Hummingbird | Colibrí lucifer
De luciferkolibrie is de enige kolibrie die geregeld ten noorden van de Mexicaanse grens broedt en een duidelijk gebogen snavel heeft. Hij hoort bij de agavehellingen van de Chihuahuawoestijn; de Verenigde Staten raakt hij alleen in West-Texas en in enkele grenscanyons van New Mexico en Arizona.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Zang in de gewone zin heeft hij niet. Het stemgeluid is een reeks dunne, droge tsjip-notities, vaak in paren, en een zacht ratelend brzjie-brzjie bij ruzie om een bloeiende agave. Belangrijker is het mechanische geluid van de baltsduik: het mannetje klimt tientallen meters, schiet langs het zittende vrouwtje omlaag en laat daarbij met vleugels en staart een ratelend gefladder horen. Die vertoning kan binnen een uur vijf keer terugkomen.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Tláhuac (near Mexico City), Mexico City, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is groen van boven en vuilwit van onderen, met een lange magentapaarse keelvlek die opzij in een punt uitloopt. Die kleur zit niet in een pigment maar in de bouw van de veer: hij licht alleen op als de vogel recht in de zon naar je toe kijkt en lijkt verder zwart. De staart is lang, smal en diep gevorkt; de snavel is bij beide geslachten lang en duidelijk naar beneden gebogen. Het vrouwtje is okerbruin van onderen, met een effen bleke keel en kaneelkleur op flanken en staartbasis.
Verwarringssoorten
Costa's kolibrie heeft ook een in punten uitlopende paarse keel, maar een korte rechte snavel, een paarse kruin en een korte staart. De zwartkinkolibrie heeft een rechte snavel en een zwarte keel met een dun violet randje. Vrouwtjes lijken het meest op elkaar: die van de luciferkolibrie verraadt zich door de gebogen snavel, de okerkleurige onderdelen en de kaneelbruine staartbasis, tegenover de rechte snavel en witte buik van het zwartkinvrouwtje.
Leefgebied
Droge, stenige hellingen en canyonwanden tussen ruwweg 1000 en 1700 meter, met agave, ocotillo, sotol en cholla. De bloeistengel van de agave is zijn belangrijkste voedselbron. Gesloten bos en geïrrigeerd laagland mijdt hij; aan de voederbuizen in de grenscanyons wordt hij door grotere kolibries weggejaagd. In Mexico overwintert hij in vergelijkbaar struweel, in dennen-eikenbos en in canyons met tropisch loofbos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt van het areaal ligt op de Mexicaanse hoogvlakte en in de uitlopers van de Sierra Madre; hij broedt van maart tot september en trekt daarna naar Centraal- en Zuid-Mexico. In de Verenigde Staten is het broedgebied klein: Big Bend met de Chisos Mountains, de Davis Mountains, de Peloncillo Mountains in Zuidwest-New Mexico en enkele canyons in Zuidoost-Arizona. In New Mexico gaat het om enkele tientallen vogels. Het aantal waarnemingen in de grensstaten nam toe, deels door meer waarnemers en meer voederplaatsen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli en augustus, als de agaven bloeien: een tuin met voederbuizen in Ash Canyon of een hellingpad in de Chisos Mountains geeft de grootste kans. Let op het silhouet en niet op de kleur — de gebogen snavel en de lange gevorkte staart zijn ook tegen het licht te zien, terwijl de keelvlek de meeste tijd zwart blijft.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 200.000 vogels, vrijwel allemaal in Mexico; hooguit een tiende brengt een deel van het jaar in de Verenigde Staten door. De soort stond op de aandachtslijst van de State of the Birds (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) van 2014 en de trend is onzeker, want het kerngebied wordt nauwelijks geteld. In de grensbergen houden voederplaatsen het aantal waarschijnlijk hoger dan zonder die hulp; begrazing en verstoring van de canyons zijn daar het knelpunt.
Wetenschappelijke naam
Calothorax lucifer | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Cynanthus Lucifer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calothorax werd in 1840 ingevoerd door George Robert Gray, naar het Griekse kalos 'mooi' en thorax 'borst'; de naam betekent dus 'met de mooie borst', naar de keelvlek van het mannetje. De soortnaam lucifer is Latijn voor 'lichtdrager', de naam die de Romeinen aan de morgenster gaven. Het beschreven exemplaar kwam uit Mexico.




