Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Vonkkeelkolibrie
Vonkkeelkolibrie | Heliomaster constantii
Plain-capped Starthroat | Colibrí pochotero
De vonkkeelkolibrie is een grote, lang gesnavelde kolibrie van droge tot halfdroge bossen in Mexico en Midden-Amerika, met bij het mannetje een keelvlek die van dof paars naar vurig karmijnrood omslaat zodra het licht verandert. Sinds 1969 duikt hij vrijwel jaarlijks op in het zuiden van Arizona, zonder dat hij daar ooit heeft gebroed.
Geluid
Het lied bestaat uit een reeks scherpe, wisselende tsjip-achtige tonen. De roep is een hoge, melodieuze, wat sleepende noot, en bij achtervolgingen tussen soortgenoten laat hij een hoog, doordringend getjilp horen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Alamos, Sonora, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Het is een grote kolibrie met een lange, vrijwel rechte zwarte snavel, een witte oogstreep en een witte 'snor' onder het oog. De bovendelen zijn metaalachtig brons-groen met een witte stuitband, de onderdelen bruinachtig grijs met een witte buik en een bos witte veren aan de flank. Het mannetje toont een keelvlek die van dof tot helder metaalrood of paarsrood kan overslaan, afhankelijk van de invalshoek van het licht; vrouwtjes lijken sterk op mannetjes maar missen die gekleurde keel.
Verwarringssoorten
In dezelfde canyons van zuidoost-Arizona kunnen vrouwtjes van de Rivoli's kolibrie en de blauwkeeljuweelkolibrie voor de vonkkeelkolibrie worden aangezien, omdat alle drie grijzig van onderen zijn; de witte stuitband, de witte snor onder het oog en de lange, vrijwel rechte snavel van de vonkkeelkolibrie ontbreken bij die twee echter volledig. Het mannetje is met zijn flitsende rode keel, in tegenstelling tot de blauwe of groene keel van de andere twee grote soorten, in goed licht te herkennen.
Leefgebied
Hij bewoont droog tot halfdroog terrein: de rand en het binnenste van rijp bos, doornbos, struikvegetatie, galerijbos langs waterlopen en open terrein met verspreide bomen. Van laagland tot de voet van de bergen komt hij voor, meestal in gebieden waar de regens seizoensgebonden zijn en de vegetatie een groot deel van het jaar droog oogt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij is standvogel van het noordwesten van Mexico, van Sonora tot Jalisco, en verder zuidelijker in Mexico en Guatemala tot in El Salvador, Honduras en Nicaragua. Sinds de eerste waarneming in 1969 wordt hij vrijwel elk jaar tussen mei en oktober in het uiterste zuiden van Arizona gezien, als zomerdwaler zonder vaste populatie; van broeden in de Verenigde Staten is geen bewijs.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen mei en oktober bij voederbakken en bloeiende agaves in de grenscanyons van zuidoost-Arizona, waar hij soms wekenlang op dezelfde plek blijft. Let dan op de lange, rechte snavel en de witte stuitband, die op afstand al opvallen voordat de kleur van de keel zichtbaar wordt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een groot verspreidingsgebied en een geschatte populatie van vijftigduizend tot vijfhonderdduizend volwassen vogels. De aantallen nemen naar verluidt af, maar een directe oorzaak wordt niet genoemd.
Wetenschappelijke naam
Heliomaster constantii | (Delattre, 1843)
Delattre beschreef de soort in 1843 als Ornismya constantii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Heliomaster is Grieks van oorsprong, van helios (zon) en aster (ster), en verwijst naar de fonkelende keelvlek — vandaar ook de Engelse naam 'starthroat'. Wie precies met 'constantii' werd geëerd, is niet met zekerheid vastgesteld. Als typelocatie werd aanvankelijk Guatemala opgegeven, wat een vergissing bleek; de Amerikaanse ornitholoog Ludlow Griscom verving die later door Bolsón in Costa Rica.




