Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Monnikszanger
Monnikszanger | Setophaga citrina
Hooded Warbler | Chipe encapuchado
De monnikszanger is de zanger van de donkere struiklaag: een gele vogel die laag in het kreupelhout van oude oostelijke loofbossen blijft en daarbij voortdurend zijn staart openspreidt. Het mannetje draagt een zwarte kap die het gele gezicht volledig omsluit, een tekening die geen andere Noord-Amerikaanse zanger heeft.
Geluid
De zang is een heldere, fluitende reeks van vijf tot zeven noten die eindigt met een omlaag glijdend slot, in het Engels weergegeven als weeta weeta wee-TEE-yo. Hij klinkt voller en muzikaler dan het gezoem van de meeste zangers en draagt ver door gesloten bos. De roep is een harde, metaalachtige tsjink, luider en scherper dan de roep van verwante soorten; in de trek klinkt 's nachts een dun, hoog ziep. Het vrouwtje zingt niet, maar roept wel bij het nest.
Opname: Jim Berry — CC BY-NC-SA 4.0 · Carroll (near Frewsburg), Chautauqua County, New York, United States · xeno-canto
Herkenning
Olijfgroen van boven, egaal geel van onderen. Het mannetje heeft een zwarte kap over kruin, nek, kin en keel, waarbinnen voorhoofd en wangen scherp begrensd geel blijven. Het vrouwtje mist die kap meestal geheel of heeft alleen een donkere schaduw langs kruin en keelrand; oudere vrouwtjes kunnen een bijna volledige kap dragen. Beide geslachten hebben grote witte vlekken in de buitenste staartpennen en een groot, donker oog. De staart wordt bijna zonder ophouden zijwaarts opengeklapt, waardoor het wit telkens oplicht — dat gedrag verraadt de soort vaak eerder dan de kleur.
Verwarringssoorten
Wilsons zanger heeft een zwarte pet op een verder geel gezicht, maar geen zwarte keel, en zijn staart is egaal donker zonder wit. Vrouwtjes van beide soorten lijken sterk op elkaar: de monnikszanger is groter, heeft een zwaardere, roze-hoornkleurige snavel en toont bij elke staartbeweging wit. De gele zanger is ook geel, maar heeft gele in plaats van witte staartvlekken en bij het mannetje roodbruine borststreepjes. De Canadese zanger heeft een blauwgrijze rug en een ketting van zwarte streepjes op de borst.
Leefgebied
Oud loofbos met een dichte struiklaag: ravijnen, beekdalen, de randen van moerasbos en open plekken waar braam, rododendron of jonge bomen een kluwen vormen. Hij broedt bij voorkeur in aaneengesloten bos van honderden hectaren; in versnipperd bos legt de bruinkopkoevogel er zijn eieren in. In de winter scheiden de geslachten zich naar leefgebied: mannetjes houden territoria in gesloten tropisch laaglandbos, vrouwtjes vaker in struweel, jonge opslag en verlaten akkers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het oosten van de Verenigde Staten, van Oost-Texas en Missouri tot de Atlantische kust, noordwaarts tot Michigan, New York en Zuid-Ontario en zuidwaarts tot de Golfkust en Noord-Florida. Het areaal schoof in de twintigste eeuw naar het noorden op met het herstel van het bos. Hij trekt over de Golf van Mexico en overwintert van Zuidoost-Mexico tot Panama, met kleine aantallen op Cuba en de Bahama's. Trekkers komen in april aan en vertrekken in augustus en september.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei in een schaduwrijk ravijn met dichte onderbegroeiing en volg het geluid: de zang komt uit de laag tussen een halve en drie meter hoogte, zelden hoger. Kijk naar het knipperende wit in de staart — dat is in het schemerdonker van de struiklaag beter te zien dan het geel, en het scheidt hem meteen van Wilsons zanger.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 5,2 miljoen vogels; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een toename van circa één procent per jaar zien en de soort is niet bedreigd (LC). De aanwas hangt samen met de terugkeer van bos op verlaten landbouwgrond in het oosten. Knelpunten zijn versnippering van broedbos, die de kans op nestparasitisme en predatie vergroot, en het verlies van laaglandbos in het overwinteringsgebied.
Wetenschappelijke naam
Setophaga citrina | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Muscicapa citrina, dus in het geslacht van de vliegenvangers; omdat ze later naar Setophaga verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga komt van het Oudgriekse ses 'mot' en phagos 'etend', dus 'motteneter'. De soortnaam citrina is Latijn voor 'citroengeel', naar de onderdelen. De Nederlandse naam en het Engelse Hooded Warbler verwijzen allebei naar de zwarte kap van het mannetje. Het beschreven exemplaar kwam uit Louisiana.



