Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Blauwe zwartkeelzanger
Blauwe zwartkeelzanger | Setophaga caerulescens
Black-throated Blue Warbler | Reinita azulada
Bij de blauwe zwartkeelzanger verschillen man en vrouw zo sterk dat ze lang voor twee soorten zijn gehouden. Het mannetje is diep blauw met een zwarte keel en witte buik, het vrouwtje effen olijfbruin; beide dragen een klein wit vierkantje aan de vleugelbasis dat in vrijwel elke stand zichtbaar blijft.
Geluid
De zang is een trage reeks van drie tot vijf gerekte, raspende noten die aan het eind omhoog schuift: zwie-zwie-zwieee. Hij klinkt schor en traag vergeleken met het snelle gezoem van andere zangers en wordt ook midden op de dag volgehouden. De roep is een vlak, kort tsjuk, laag in toon voor een zanger van dit formaat. In de trek klinkt 's nachts een dunne, iets dalende tsiep.
Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · Pearl Lake Rd, Lisbon, Grafton County, New Hampshire, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is donker blauwgrijs op kruin en rug, met een zwart masker, zwarte keel en zwarte flanken die scherp afsteken tegen de witte onderdelen. Het vrouwtje is olijfbruin van boven en licht geelbruin van onderen, met een bleke wenkbrauwstreep en een witte halve maan onder het oog. Het kenmerk dat beide geslachten delen is een klein wit veld aan de basis van de handpennen, als een wit zakdoekje op de gevouwen vleugel; bij vogels uit de zuidelijke Appalachen is dat veld kleiner en de mannetjesrug zwart gestreept. Ze foerageren traag en methodisch in de struiklaag, zelden hoog in de kroon.
Verwarringssoorten
Het mannetje is in verse kleed nauwelijks met iets te verwarren: de azuurzanger is lichter blauw met een witte keel en streepjes op de flank, de blauwgrijze muggenvanger mist de zwarte keel. Het vrouwtje is de eigenlijke opgave, want het is een effen bruine zanger zonder streping: de tennesseezanger heeft geen wit vleugelveld en een fijnere snavel, de groene zanger is geler en meer gestreept op de onderstaartdekveren, en vireo's hebben een dikkere, gehaakte snavel en bewegen trager. Zoek altijd eerst het witte vleugelvierkantje.
Leefgebied
Aaneengesloten oud loofbos en gemengd bos met een dichte struiklaag van onder meer schaduwstruiken, laurier en rododendron, vooral in heuvel- en bergland; in de Appalachen tussen ruwweg 800 en 1600 meter. Het nest staat laag, meestal onder anderhalve meter, in een dichte struik. In de winter zit hij in tropisch bos en in koffieplantages onder schaduwbomen op de Grote Antillen, waar hij het hele seizoen een vast territorium verdedigt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuidoost-Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, van Minnesota en Ontario tot Nova Scotia en Maine, en langs de Appalachen zuidwaarts tot Noord-Georgia. Het overwinteringsgebied ligt vrijwel geheel op de Grote Antillen en de Bahama's: noordelijke broedvogels komen vooral op Cuba en Jamaica terecht, zuidelijke op Hispaniola en Puerto Rico. Kleine aantallen overwinteren in Zuid-Florida en langs de Caraïbische kust van Midden-Amerika. Trek in april–mei en september–oktober.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in mei of juni een beboste berghelling af en luister naar de trage, raspende zwie-zwie-zwieee; de vogel zingt vaak vanuit een struik op ooghoogte en laat zich goed benaderen. Wijs iedereen die een effen bruine zanger ziet op het witte vleugelvierkantje — dat ene kenmerk lost het vrouwtje in één oogopslag op.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer 2,4 miljoen vogels geschat en neemt toe; tussen 1970 en 2014 werd een stijging van rond 163 procent gemeten en de soort staat op een laag zorgniveau. De toename hangt samen met het ouder worden van het noordoostelijke bos. Aandachtspunten blijven de omzetting van schaduwkoffie naar koffie in de volle zon op de Antillen, het verdwijnen van de struiklaag door hoge dichtheden witstaarthert, en het kleine, geconcentreerde overwinteringsgebied.
Wetenschappelijke naam
Setophaga caerulescens | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla caerulescens, in het geslacht van de kwikstaarten; door de latere plaatsing in Setophaga staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie is Santo Domingo op Hispaniola, dus het overwinteringsgebied en niet het broedgebied. Setophaga komt van het Oudgriekse ses 'mot' en phagos 'etend'; caerulescens is Latijn voor 'blauwachtig wordend', naar het mannetje. De Nederlandse en Engelse naam noemen allebei de blauwe bovenkant en de zwarte keel.




