Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Nashvillezanger
Nashvillezanger | Leiothlypis ruficapilla
Nashville Warbler | Reinita de Nashville
De nashvillezanger is een kleine zanger met een grijze kop, een witte oogring en gele onderdelen, die broedt in struweel en jonge opslag aan de rand van bossen. Het areaal valt in twee gescheiden helften uiteen: een oostelijke in Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, en een westelijke van Brits-Columbia tot Californië.
Geluid
De zang bestaat uit twee delen: eerst een reeks heldere, tweelettergrepige sie-wiet sie-wiet sie-wiet-notities, dan een lagere, snellere ratel ti-ti-ti-ti. Westelijke vogels zingen iets lager en voller dan oostelijke. De roep is een scherp, metaalachtig tsink, bij westelijke vogels nog wat harder; op trek is een dun, hoog sie te horen.
Opname: Ray Cooke — CC BY-NC 4.0 · Little River Road, First Bog East Corner, Albion Cross, Prince Edward Island, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een compacte zanger met een effen grijze kop, een olijfgroene rug en gele keel, borst en onderstaartdekveren. Tussen de gele borst en de gele onderstaartdekveren ligt een witte buikvlek — een kenmerk dat hem van veel gele zangers scheidt. De brede witte oogring staat scherp af tegen het grijs en is niet onderbroken. Het mannetje heeft een roestbruine kruinvlek die meestal onder het grijs verborgen blijft. De snavel is dun en spits; de soort foerageert op halve hoogte tussen twijgen en bladeren. Westelijke vogels wippen bijna voortdurend met de staart, oostelijke zelden.
Verwarringssoorten
De virginiazanger is grijs in plaats van groen op de rug en heeft alleen op de borst en onder de staart geel, niet op de keel. De groene zanger mist de scherpe witte oogring en heeft een vage donkere teugelstreep en fijne streping op de borst. De tennesseezanger heeft een witte in plaats van gele onderstaartdekveren en een duidelijke lichte wenkbrauwstreep. De connecticutzanger en de grijskopzanger zijn veel groter, met een grijze kap die tot op de borst doorloopt en geen geel op de keel.
Leefgebied
Jonge opslag, kapvlakten, verlaten weiland met struweel en de ruige randen van open bos. In het oosten broedt hij in gemengd bos, sparren- en cedermoeras en veengrond met kleine sparren; in het westen in eikenstruweel, struikgewas op berghellingen en open dennen- en douglasbos. Het gaat steeds om plekken met veel lage struiklaag en weinig gesloten kronendak; het nest ligt op de grond, verstopt onder mos of een graspol. Op trek gebruikt hij vrijwel elk struweel, ook in tuinen en parken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het oostelijke broedgebied loopt van Saskatchewan en Manitoba oostwaarts tot Quebec en de Maritieme Provincies, en zuidelijk tot Minnesota, Wisconsin, Michigan, New York en New England. Het westelijke ligt in Brits-Columbia, Washington, Oregon, Idaho, West-Montana en Californië. Overwinteren doet hij grotendeels in Mexico, van Sonora en Tamaulipas zuidwaarts tot Chiapas en Yucatán, en verder in Belize, Guatemala, Honduras en El Salvador; kleine aantallen blijven in Zuid-Texas en aan de kust van Californië. Op trek is hij door vrijwel de hele oostelijke helft van het continent te zien.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In mei is hij op doortrek in loofbos en stadsparken te vinden; let op de combinatie grijze kop, witte oogring en gele keel, en vergeet de witte buikvlek niet. In het najaar, wanneer het herfstkleed sterk op dat van andere soorten lijkt, blijven de oogring en de gele onderstaartdekveren de bruikbaarste kenmerken.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC) en talrijk; de wereldpopulatie wordt op enkele tientallen miljoenen geschat; de trend is over de laatste halve eeuw ruwweg stabiel, met plaatselijke toename waar bos wordt gekapt en weer opslaat. Omdat hij van jonge successie leeft, is hij afhankelijk van verstoring: kap, brand en verlaten landbouwgrond leveren broedgebied op, terwijl volgroeid bos dat weer wegneemt. In het westen zijn droogte en het verdwijnen van eikenstruweel de belangrijkste knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis ruficapilla | (Wilson, 1811)
Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia ruficapilla, naar een vogel die hij bij Nashville in Tennessee schoot; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam komt van het Latijnse rufus 'rossig' en capillus 'hoofdhaar' en verwijst naar de roestbruine kruinvlek. Het geslacht Leiothlypis komt van het Griekse leios 'glad, effen' en thlypis, een naam voor een kleine vogel. De vogel broedt niet bij Nashville; hij komt daar alleen op doortrek.




