Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Virginiazanger
Virginiazanger | Leiothlypis virginiae
Virginia's Warbler | Reinita de Virginia
De virginiazanger is een overwegend grijze zanger met een witte oogring en geel op borst en onderstaartdekveren, van de pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbossen en eikenstruwelen van de zuidelijke Rocky Mountains. Het broedareaal is klein en ligt vrijwel geheel in de bergen van het Amerikaanse zuidwesten.
Geluid
De zang is een losse, snelle reeks van een stuk of tien dunne tsjie-tsjie-tsjie-notities die halverwege van toonhoogte wisselt en met een lagere slotnoot eindigt; hij klinkt ijler en minder scherp gescheiden dan die van de nashvillezanger. De roep is een droog, hoog tsjik, vaak herhaald vanuit een eikenstruik. Mannetjes zingen van eind april tot in juli, meestal vanaf een tak halverwege een helling.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Jensen Memorial Park (Meeker), Rio Blanco Cty, Colorado, United States · xeno-canto
Herkenning
Effen grijs van boven en van onderen, met een heldere witte oogring in een verder ongetekend grijs gezicht. Geel zit op een beperkt aantal plekken: een vlek op de borst, de onderstaartdekveren en een vage gele waas op de stuit. Het mannetje heeft een verborgen kastanjebruine kruinvlek. De staart is voor de grootte van de vogel lang en wordt bij het foerageren voortdurend op en neer gewipt — een gedragskenmerk dat op afstand al opvalt. Vrouwtjes en jonge vogels hebben minder of geen geel op de borst.
Verwarringssoorten
De nashvillezanger heeft een olijfgroene rug in plaats van een grijze en geel dat doorloopt over de hele keel en borst. Lucy's zanger is kleiner en korter van staart, mist geel en heeft een kaneelkleurige stuit. De colimazanger, die in de Verenigde Staten alleen in de Chisos Mountains in Texas broedt, is groter en bruiner van flank, met okerkleurige in plaats van witte flanken en een oranjegele stuit. De grijze vorm van de groene zanger mist de scherpe oogring en heeft fijne streping op de borst.
Leefgebied
Open pinyon-jeneverbesbos, eikenstruweel en dennenbos op steile hellingen tussen ruwweg 1800 en 2750 meter, met een dichte struiklaag van struikeik, manzanita of mahonie. Droge zijdalen met struweel en de struikrand langs bergbeken worden ook bezet. Het nest ligt op de grond, verstopt onder een pol of dood blad. Op trek en in de winter komt hij in droog tropisch loofbos en struweel voor.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in Colorado, Utah, Nevada, Arizona, New Mexico, Zuid-Wyoming en West-Texas; het zwaartepunt ligt in Colorado en New Mexico. Hij arriveert in de tweede helft van april en trekt in augustus en september weg langs de bergen van Noordwest-Mexico. De winter brengt hij door in het zuidwesten van Mexico, in de staten van Jalisco en Michoacán tot Guerrero en Oaxaca; zwervers bereiken soms de oostkust van de Verenigde Staten.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei en juni op een droge eikenhelling in de bergen van Noord-New Mexico of Zuid-Colorado; de zang draagt ver, maar de vogel blijft in de struiklaag. Let op het staartwippen: samen met de witte oogring en het geel onder de staart is dat de snelste bevestiging.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, met een wereldpopulatie in de orde van een half miljoen vogels, vrijwel geheel binnen dit gidsgebied. Het beperkte en versnipperde areaal maakt de soort gevoelig voor verandering in het pinyon-jeneverbesbos: grootschalige sterfte door droogte en schorskevers, verwijdering van jeneverbes ten behoeve van veeteelt en intensievere bosbranden verkleinen het broedgebied. Beheer dat de struiklaag onder de pinyons laat staan, houdt het leefgebied bruikbaar.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis virginiae | (Baird, 1860)
Spencer Fullerton Baird beschreef de soort in 1860 als Helminthophaga virginiae, naar een exemplaar dat legerarts William Wallace Anderson in 1858 bij Fort Burgwin in Taos County, New Mexico verzamelde; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam verwijst niet naar de staat Virginia maar naar Virginia Anderson, de vrouw van de verzamelaar. Het geslacht Leiothlypis komt van het Griekse leios 'glad, effen' en thlypis, een naam voor een kleine vogel.




