Alle soortenZangvogelsAmerikaanse zangers › Connecticutzanger

Connecticutzanger | Oporornis agilis

Connecticut Warbler | Reinita de Connecticut

De connecticutzanger is een grote, gedrongen zanger met een grijze kap, een volledige witte oogring en gele onderdelen, die op de bodem loopt in plaats van door het bladerdak te fladderen. Hij broedt in afgelegen veen en espenbos van Midden-Canada en de Grote Meren en behoort tot de minst onderzochte zangvogels van Noord-Amerika.

Connecticutzanger (Oporornis agilis)
Foto: ALAN SCHMIERER from southeast AZ, USA — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luide, doordringende herhaling van tweelettergrepige motieven, vaak weergegeven als tsjiepa-tsjiepa-tsjiepa-tsjiep, met een toonhoogte die aan die van de ovenvogel en de kentuckyzanger doet denken. Het volume neemt tijdens de reeks toe en het geluid draagt honderden meters over open veen. De roep is een dof, lichaamloos tsjip, dat in de trektijd bijna nooit te horen is: op doortrek is de soort vrijwel stil.

Luister: RoepXC147721

Opname: Peter Wilton — CC BY-SA 3.0 · Lexington, Middlesex, Massachusetts, United States · xeno-canto

Herkenning

Fors en kortstaartig gebouwd, met lange roze poten, een zware spitse snavel en onderstaartdekveren die bijna tot de staartpunt reiken — een verhouding die hem van de andere kapzangers scheidt. Het mannetje heeft een egaal grijze kap over kop, keel en bovenborst, een olijfgroene rug en een gele buik. De witte oogring is volledig gesloten en over de hele omtrek even breed. Vrouwtjes en eerstejaars vogels hebben een bruinere, vagere kap, maar altijd diezelfde onafgebroken oogring. Hij loopt over de bodem door de ondergroei in plaats van te huppen.

Verwarrings­soorten

De grijskopzanger heeft geen of hooguit een onderbroken oogring, een langere staart, kortere onderstaartdekveren en bij het mannetje een zwarte vlek op de borst; hij huppelt in plaats van te lopen. De zwartkapzanger heeft een oogring die voor en achter het oog onderbroken is, zodat twee witte boogjes overblijven. De nashvillezanger is veel kleiner, heeft een gele keel en een olijfgroene rug. Bij eerstejaars vogels blijven de lichaamsbouw, de lange onderstaartdekveren en de manier van voortbewegen het betrouwbaarst.

Leefgebied

Open sparren- en tamarakveen, muskeg met een vochtige mosbodem en drogere espen- en populierenbossen met een open ondergroei, in het noorden van het broedgebied. Het nest ligt goed verborgen in mos of in een graspol op de bodem. Op trek gebruikt hij dichte kruidlaag en struweel langs bosranden, akkerranden en verruigde velden, meestal buiten het zicht. In de winter zit hij in de ondergroei van tropisch laaglandbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt in een smalle band van Noordoost-Brits-Columbia en het zuidwesten van de Northwest Territories oostwaarts door Alberta, Saskatchewan, Manitoba en Ontario tot centraal Quebec, en zuidwaarts tot Minnesota, Wisconsin en Michigan. De trek verloopt in een ellips: in het voorjaar door het Midwesten en over de Golfkust, in het najaar veel meer langs de oostkust. Zenderonderzoek liet een vlucht van twee dagen over de Caribische Zee naar de Antillen zien. Overwinteren doet hij in het Amazonebekken, ruim buiten het gebied van deze gids.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De grootste kans is een zingend mannetje in juni in een veengebied in Noord-Minnesota of Manitoba; op doortrek is de soort vrijwel stil en blijft hij in de dekking. Zoek dan in de vroege ochtend op de bodem langs een dichte bosrand en let op een vogel die loopt, niet huppelt.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd te boek, maar de aantallen dalen: trektellingen en broedvogelkarteringen wijzen op een langjarige afname, en in Saskatchewan, Michigan, Minnesota en Wisconsin staat de soort op provinciale of statenlijsten van aandachtsoorten. Drooglegging van veen, houtkap in espenbos en het verlies van bosgebied in het overwinteringsgebied worden als knelpunten genoemd. Omdat de broedgebieden dun bevolkt en moeilijk bereikbaar zijn, zijn de trendcijfers onzekerder dan bij de meeste zangers.

Wetenschappelijke naam

Oporornis agilis | (Wilson, 1812)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1812 als Sylvia agilis, naar een vogel uit Connecticut; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam is Latijn voor 'beweeglijk, snel'. Het geslacht Oporornis komt van het Griekse opōra 'nazomer, herfst' en ornis 'vogel', naar het najaarstijdstip waarop de soort in het oosten wordt gezien. De Engelse en de Nederlandse naam verwijzen naar de vindplaats van het eerste exemplaar; in Connecticut zelf komt de vogel alleen op doortrek voor.