Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Louisianawaterlijster
Louisianawaterlijster | Parkesia motacilla
Louisiana Waterthrush | Chipe de agua sureño
De louisianawaterlijster is de grootste van de twee waterlijsters en gebonden aan helder, stromend water: een beek met een stenige bedding in heuvelachtig loofbos. Hij keert eind maart al terug uit het overwinteringsgebied, weken eerder dan de meeste Amerikaanse zangers.
Geluid
De zang begint met drie of vier heldere, hoge, dalende fluittonen, gevolgd door een haastig, omlaag tuimelend gekwetter: swie-swie-swie, tsjidderiedelie. Hij wordt gezongen boven het geruis van de beek en draagt daar doorheen. De roep is een luide, harde tsjink, iets lager en voller dan de roep van de noordse waterlijster. Het mannetje zingt vanaf een tak over het water en herhaalt de strofe van de ene beekbocht naar de volgende.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Tama (near Burlington), Des Moines, Iowa, United States · xeno-canto
Herkenning
Egaal grijsbruin van boven, wit van onderen met zwarte streping op borst en flanken. De keel is wit en ongestreept. De brede witte wenkbrauwstreep begint smal bij de snavel en wordt naar achteren juist breder, tot voorbij het oor. De flanken en de onderstaartdekveren zijn okerkleurig, wat een warme toon geeft aan een verder koud grijswit onderlichaam. De poten zijn helderroze. Ook deze soort loopt over natte stenen en wipt daarbij met het achterlijf, maar in een tragere, meer slepende beweging dan de noordse waterlijster.
Verwarringssoorten
De noordse waterlijster is kleiner en koeler van kleur, heeft een smalle, naar achteren versmallende en vaak geelachtige wenkbrauwstreep, een fijn gestreepte keel, donkere poten en geen oker op de flanken. Het leefgebied helpt: stromende beek in heuvelland tegenover stilstaand moeraswater. Op de trek overlappen ze wel en dan zijn de wenkbrauwvorm, de witte keel en de roze poten de betrouwbaarste kenmerken. De ovenvogel heeft een oranje kruinstreep en een oogring in plaats van een wenkbrauwstreep.
Leefgebied
Snelstromende, heldere, permanente beken met stenen en omgevallen stammen, in volgroeid loofbos of gemengd bos, meestal in heuvelland en middelgebergte. In het zuiden ook langs bosbeken in cipressenmoeras en laaglandbos. Kaalslag, jonge aanplant en troebel of verzuurd water worden gemeden; het territorium is een lint langs de beek, van honderd meter tot meer dan een kilometer lang. In de winter foerageert hij langs beekjes, mangroverand en zelfs in parken en tuinen met stromend water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het oosten van de Verenigde Staten, van Oost-Nebraska, Oost-Kansas en Oost-Texas tot New England, en noordwaarts tot Zuid-Michigan, Zuid-Wisconsin en een smalle strook van Zuid-Ontario. Grote delen van de Golfkust en Florida ontbreken. De trek is vroeg in beide richtingen: terug op de broedplaats vanaf eind maart, weg uit het noorden al in augustus. Overwinteren doet hij van Noord-Mexico door Midden-Amerika tot Noordwest-Zuid-Amerika, en op de Grote Antillen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop begin april langs een beek in heuvelachtig bos en luister naar de drie heldere beginfluittonen — in die weken is hij vrijwel de enige zanger die daar zingt. Sta stil op een brug of een oever en wacht: de vogel werkt de beek af en komt vanzelf langs.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 450.000 vogels, met sinds 1970 een toename van rond de 34 procent; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) staat op 12 van 20, wat als laag zorgniveau geldt. De soort is gevoelig voor de waterkwaliteit van de broedbeek: verzuring, mijnafvoer en vertroebeling verminderen het aanbod van waterinsecten, en daarmee het broedsucces. Kanalisatie van beken en versnippering van beekdalbos zijn de andere knelpunten. Door die gebondenheid aan schoon stromend water wordt de soort als indicator voor beekkwaliteit gebruikt.
Wetenschappelijke naam
Parkesia motacilla | (Vieillot, 1809)
Vieillot beschreef de soort in 1809 als Turdus motacilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Parkesia werd in 2008 ingevoerd door George Sangster, naar de Amerikaanse ornitholoog Kenneth Carroll Parkes. De soortnaam motacilla is de Latijnse naam voor de kwikstaart, van motare 'heen en weer bewegen'; hij slaat op het wippen met de staart, hetzelfde gedrag dat de kwikstaart zijn naam gaf. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen naar Louisiana, waar Vieillot het beschreven materiaal vandaan meende te hebben, al ligt de typelocatie in Kentucky.




