Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Streepkopzanger
Streepkopzanger | Helmitheros vermivorum
Worm-eating Warbler | Reinita gusanera
De streepkopzanger is een olijfbruine zanger zonder geel of blauw, waarvan het hele herkenningsverhaal in de koptekening zit: vier zwarte strepen over een lichtbruine kop. Hij broedt op steile, beboste hellingen in het oosten van de Verenigde Staten en zoekt zijn voedsel in hangende dode bladeren.
Geluid
De zang is een korte, droge, hoge triller op één toon, ongeveer twee seconden lang, zonder begin- of eindnoot. Hij klinkt harder en droger dan die van de dennenzanger en is vlakker dan de triller van de grijze junco. De roep is een scherpe tsjip, in de vlucht een dun tsiet. Het mannetje zingt vanaf een tak halverwege de boom, vaak op een helling, en zwijgt na begin juli grotendeels.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Skinner State Park, Hampshire County, Massachusetts, United States · xeno-canto
Herkenning
Olijfbruin van boven, vuilwit tot okerkleurig van onderen, zonder streping, vleugelstrepen of staartvlekken. De kop is lichtbruin met twee zwarte kruinstrepen en een zwarte oogstreep aan elke kant, waardoor er vier donkere lijnen over de kop lopen. De snavel is lang, recht en spits, de poten zijn roze. Man en vrouw zijn gelijk. Kenmerkend is de foerageerwijze: de vogel hangt aan trossen dode, opgekrulde bladeren in het struiketage en steekt daar zijn snavel in, die hij vervolgens openduwt om de prooi bloot te leggen.
Verwarringssoorten
Swainsons zanger heeft een zwaardere snavel, een roodbruine kruin zonder zwarte strepen en slechts één donkere oogstreep; hij loopt bovendien over de bodem in plaats van in dode bladeren te hangen. De bruine vorm van de blauwvleugelzanger heeft geel op de onderdelen en witte vleugelstrepen. De ovenvogel heeft een oranje kruinstreep met zwarte randen, een witte oogring en een gestreepte borst.
Leefgebied
Volgroeid loofbos en gemengd bos op steile hellingen en in ravijnen, met een dichte onderbegroeiing van berglaurier, rododendron of jonge loofbomen; verder beuken-esdoornbos en eiken-hickorybos in heuvelland. Langs de kustvlakte ook in dennenaanplant met loofhoutopslag. De soort vraagt grote aaneengesloten boskernen, van enkele tientallen tot honderden hectaren, en verdwijnt uit versnipperde bosjes. Het nest ligt op de grond tegen een helling, verstopt onder dood blad. In de winter in vochtig bos en struweel, vaak met veel dode hangbladeren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het oosten van de Verenigde Staten, met het zwaartepunt in de Appalachen en het Ohio-bekken: van Zuid-New England en New York door Pennsylvania, West Virginia, Kentucky en Tennessee tot Noord-Georgia, en westwaarts tot Zuid-Missouri, Arkansas en het oosten van Oklahoma en Texas. De trek verloopt breed over de Golf van Mexico. Overwinteren doet hij van Zuidoost-Mexico door Belize, Guatemala en Honduras tot Panama, en op de Grote Antillen, met veel vogels op Jamaica, Cuba en Hispaniola.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei op een steile boshelling met rododendron en luister naar de droge triller; kijk daarna op ooghoogte naar de trossen dode bladeren in het struweel, want daar hangt hij en niet in het bladerdak. De vier zwarte koplijnen zijn ook in schaduw te zien.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 780.000 vogels; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat sinds 1966 een vrijwel stabiel verloop zien en de soort is niet bedreigd (LC) en geldt als van laag zorgniveau. De belangrijkste beperking is de eis van grote, aaneengesloten boskernen: in versnipperd bos neemt de nestpredatie toe en verdwijnt de soort. Op de overwinteringsplaatsen is omzetting van vochtig bos naar landbouw het knelpunt.
Wetenschappelijke naam
Helmitheros vermivorum | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla vermivora; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Helmitheros werd in 1819 ingevoerd door Rafinesque, uit het Griekse helmins 'worm' en -thēras 'jager'. De soortnaam vermivorum komt van het Latijnse vermis 'worm' en -vorus 'etend'. Geslachtsnaam, soortnaam en Engelse naam wijzen alle drie op wormen, maar het voedsel bestaat vooral uit rupsen en larven, niet uit regenwormen. De Nederlandse naam volgt de vier zwarte strepen over de kop.


