Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Bonte zanger
Bonte zanger | Mniotilta varia
Black-and-white Warbler | Chipe trepador
De bonte zanger is de enige zanger van Amerika die langs stam en zware takken op en neer loopt; hij heeft daarvoor een lange achterteen en een zware klauw om zich aan de schors vast te haken. Van kruin tot staart is hij in de lengte zwart-wit gestreept, met een witte middenstreep over de zwarte kruin. Hij is een van de eerste zangers die in het voorjaar terug is.
Geluid
De zang is een dunne, hoge, tweetonige reeks als van een piepend wiel: wie-sie wie-sie wie-sie, zes tot elf keer herhaald, met de tweede lettergreep lager dan de eerste. Hij zingt vanaf een tak halverwege de boom en gaat tijdens het klimmen gewoon door, wat bij de meeste zangers niet gebeurt. Het mannetje heeft twee strofetypen: het ene richt zich tegen andere mannetjes, het andere klinkt vooral in de buurt van het vrouwtje. De roep is een scherp tsjik; op trek klinkt 's nachts een hoge, ijle sie over.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · West Brook Ecological Reserve, Newfoundland and Labrador, Canada · xeno-canto
Herkenning
Overal in de lengte zwart-wit gestreept: rug, flanken, twee witte vleugelstrepen, en een zwarte kruin met een witte streep over het midden. Het mannetje heeft in de zomer een zwarte keel en zwarte wangen en zware zwarte flankstrepen. Het vrouwtje heeft een witte keel, grijze wangen en fijnere strepen, vaak met een vale beige waas op de flanken en de onderstaartdekveren. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn nog vager gestreept. De snavel is licht gebogen, de poten zijn kort en de achterteen is opvallend lang; tegen een stam ligt de vogel platter dan een zanger die van tak naar tak springt.
Verwarringssoorten
De amerikaanse boomkruiper (Certhia americana) doet hetzelfde werk op dezelfde stammen, maar is bruin met een witte onderzijde, klimt alleen omhoog en begint bij elke volgende boom weer onderaan. De witborstboomklever (Sitta carolinensis) is groter, blauwgrijs en ongestreept en klimt met de kop omlaag. De canadese boomklever heeft eveneens zwart en wit op de kop, maar draagt een zwarte oogstreep onder een witte wenkbrauw en is roestbruin van onderen. Een even zwart-wit getekende zanger die in de kruin van tak naar tak springt in plaats van over de schors te lopen, is eerder de zwartkopzanger (Setophaga striata) in voorjaarskleed: geheel zwarte kruin zonder witte middenstreep, en een witte wang.
Leefgebied
Loofbos en gemengd bos met grote bomen, van doorgeschoten hakhout tot oud bos, op droge hellingen zowel als langs beken. Dichte ondergroei heeft hij niet nodig, maar wel schors met spleten: ruwe stammen en zware zijtakken waar overwinterende insecten en hun eieren in zitten. Het nest staat op de grond, tegen een stam of onder een omgevallen boom, en dat maakt hem gevoelig voor versnippering van het bos. In de winter gebruikt hij tropisch bos van laagland tot bergwoud, koffieschaduw, mangrove en droog doornbos; hij komt daar in meer bostypen voor dan de meeste andere zangers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het oosten en midden van het continent, van het zuiden van de Northwest Territories en Alberta oostwaarts tot Newfoundland, en zuidwaarts tot in oostelijk Texas, Louisiana en Georgia. Hij overwintert van Noord-Mexico en Florida door Midden-Amerika en de Antillen tot in Colombia, Venezuela, Ecuador en Peru; dat zuidelijke deel van het winterareaal valt buiten deze kaart. Hij trekt vroeg: de eerste vogels zijn in maart in de Golfstaten en eind april in Canada, en de najaarstrek begint al in juli. Een deel steekt de Golf van Mexico in één nacht over.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in april, in het eerste groen, wanneer het bos nog open is: hij werkt dan langs de zware takken van de eiken en is beter te volgen dan later in het seizoen. Let op de beweging en niet op de kleur — een vogel die met de kop omhoog én met de kop omlaag over de schors loopt en daarbij in de lengte gestreept is, is deze soort. In de tropen hoor je hem in de winter niet zingen; daar verraadt hij zich met de scherpe tsjik vanuit een gemengde troep.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een broedbevolking die op ongeveer twintig miljoen vogels wordt geschat. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1966 een langzame daling zien, sterker in het zuiden van het broedareaal dan in het noorden. Als grondbroeder in bos heeft hij last van versnippering: kleine bospercelen leveren meer nestrovers op en meer eieren van de bruinkopkoevogel. Op trek sterven er veel tegen ramen en verlichte gebouwen.
Wetenschappelijke naam
Mniotilta varia | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla varia, bij de kwikstaarten; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mniotilta werd in 1816 ingevoerd door Vieillot en is gevormd uit het Griekse mnion, 'mos', en tillo, 'plukken': de mosplukker. varia is Latijn voor 'bont' of 'geschakeerd', naar de streping. Linnaeus gaf als herkomst Jamaica en Santo Domingo op; de American Ornithologists' Union beperkte de typelocatie in 1910 tot Santo Domingo.




