Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Swainsons zanger
Swainsons zanger | Limnothlypis swainsonii
Swainson's Warbler | Chipe coronicafé
Swainsons zanger is een gedrongen, bruine zanger met een zware snavel, die zich ophoudt in het dichtste struweel van de zuidoostelijke laaglandbossen. Hij is eerder te horen dan te zien: de zang komt uit een ondoordringbare wand van riet, braam en liaan.
Geluid
De zang is een reeks van drie of vier heldere, gelijke fluittonen, gevolgd door een dalende, wat slissende slotfrase: wie wie wie, tsjie-tsjoe-wiet. Hij lijkt in opbouw op die van de louisianawaterlijster, maar is trager, voller en zonder het haastige gekwetter aan het eind. Het mannetje zingt van eind maart tot eind april vrijwel onafgebroken vanuit een groot territorium en is daarna veel stiller. De roep is een vlakke, harde tsjip.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Minor E Clark Fish Hatchery, Rowan County, Kentucky, United States · xeno-canto
Herkenning
Egaal olijfbruin van boven, vuilwit tot bleekgeel van onderen, zonder streping, vleugelstrepen of staartvlekken. De kruin is roodbruin en contrasteert met een lange, vuilwitte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De snavel is lang, recht en zwaar voor een zanger, en het voorhoofd loopt vlak in de snavel door, wat de kop langgerekt maakt. Man en vrouw zijn gelijk. Hij foerageert lopend over de bosbodem en keert daarbij met de snavel dode bladeren om, in plaats van in het bladerdak te fladderen.
Verwarringssoorten
De streepkopzanger heeft een lichtere, dunnere snavel en vier zwarte strepen over de kop in plaats van een effen roodbruine kruin; die soort hangt bovendien aan dode bladeren in het struweel. Beide waterlijsters zijn gestreept op de onderdelen en wippen met het achterlijf. De ovenvogel heeft een oranje kruinstreep met zwarte randen, een witte oogring en een gestreepte borst. Op zang lijkt Swainsons zanger het meest op de louisianawaterlijster; het tempo en het ontbrekende gekwetter aan het eind scheiden ze.
Leefgebied
Twee vrij verschillende typen. In de kustvlakte en het Mississippi-dal: laaglandhardhoutbos, cipressenmoeras en rietvelden van reuzenriet met een dichte kruidlaag en veel dood blad, ook in loblollydennenaanplant met een dichte onderetage. In de zuidelijke Appalachen: rododendronstruweel op vochtige berghellingen tot ruim 1000 meter. Beide typen delen dezelfde structuur: een gesloten struiketage boven een open, met blad bedekte bodem. Het territorium is groot, tot achttien hectare. In de winter in droog kalksteenbos en vochtig struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuidoosten van de Verenigde Staten: van Oost-Texas en Oost-Oklahoma door Arkansas, Louisiana, Mississippi en Alabama tot Georgia en de Carolina's, en noordwaarts langs de Appalachen tot West Virginia, Zuid-Ohio en Maryland, met verspreide plekken in Zuid-Illinois en Zuid-Indiana. De trek gaat over de Golf en de Caraïben en het areaal valt in twee winterdelen uiteen: het ene deel gaat zuidwestwaarts naar het Yucatán-schiereiland, Belize en Guatemala, het andere zuidoostwaarts naar de Grote Antillen, met de Blue Mountains van Jamaica als zwaartepunt.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans ligt in de eerste helft van april, als het mannetje bijna de hele dag zingt. Blijf op het pad en wacht bij een zingende vogel: hij werkt zijn grote territorium af en komt vaak vanzelf tot vlak bij de rand van het struweel, terwijl het induiken van de wand hem juist verjaagt.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 160.000 vogels; dat is weinig voor een Amerikaanse zanger, maar de trend is stabiel tot licht stijgend, de soort is niet bedreigd (LC) en het zorgniveau is laag. Van de oorspronkelijke velden reuzenriet is sinds de koloniale tijd ongeveer 99 procent verdwenen; de soort is deels op dennenaanplant met dichte onderetage overgestapt. Kap van laaglandhardhoutbos, orkaanschade en aanvaringen met zendmasten tijdens de nachtelijke trek zijn de bekende knelpunten. Eén geringd mannetje in South Carolina werd bijna tien jaar oud.
Wetenschappelijke naam
Limnothlypis swainsonii | (Audubon, 1834)
Audubon beschreef de soort in 1834 als Sylvia Swainsonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert de Engelse ornitholoog William Swainson. Het geslacht Limnothlypis werd in 1914 ingevoerd door Witmer Stone, uit het Griekse limnē 'moeras' en thlypis, een naam voor een klein vogeltje die in deze familie vaker als geslachtsdeel wordt gebruikt. De naam betekent dus ongeveer 'moerasvogeltje'. De Spaanse naam chipe coronicafé volgt de roodbruine kruin.



