Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Geelvleugelzanger
Geelvleugelzanger | Vermivora chrysoptera
Golden-winged Warbler | Reinita alidorada
De geelvleugelzanger is een kleine zanger van jonge, verruigde opslag in het oosten van Noord-Amerika, met een grijze bovenzijde, een gele kruin en een gele vleugelvlek. Hij hoort bij een landschapsstadium dat maar enkele jaren duurt: de struiklaag tussen kaalslag en gesloten bos. Het areaal is de afgelopen halve eeuw ineengeschrompeld tot twee kernen, rond de Grote Meren en in de Appalachen.
Geluid
De zang is een reeks ijle, insectachtige zoemtonen: één langgerekte bzzzzz gevolgd door drie kortere bzz bzz bzz, op één toonhoogte en met weinig volume. Op enige afstand is hij nauwelijks van een sprinkhaan te onderscheiden. Daarnaast zingen mannetjes een tweede, snellere reeks zoemnoten die vooral bij confrontaties aan de territoriumgrens klinkt. De roep is een droge, scherpe tsjip of zip.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Ford River Township (near Bark River), Delta County, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is effen blauwgrijs van boven en wit van onderen, met een gele kruin en een grote gele vlek op de vleugel die bij sommige vogels in twee banden uiteenvalt. Kenmerkend is het zwarte keelvlak met daarboven een zwart oogmasker, beide omrand door wit. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon, maar keel en masker zijn grijs in plaats van zwart en het geel is bleker. De staart toont bij het opvliegen witte vlekken in de buitenste pennen. De snavel is dun en spits, passend bij het zoeken naar rupsen in opgerolde bladeren.
Verwarringssoorten
De blauwvleugelzanger heeft een geel lichaam met een zwart streepje door het oog en twee witte vleugelstrepen, dus vrijwel het omgekeerde kleurpatroon. Waar beide soorten samen voorkomen ontstaan kruisingen: het brewsteri-type lijkt op een geelvleugelzanger met een geel waas en zonder zwarte keel, het zeldzamere lawrencei-type op een blauwvleugelzanger met zwarte keel en masker. Zulke tussenvormen zijn niet op naam te brengen zonder het hele patroon te noteren. De Amerikaanse matkop heeft een vergelijkbaar grijs-zwart-wit patroon, maar een geheel zwarte kap zonder geel, een dikke korte snavel en een langere staart.
Leefgebied
Struweel in een vroeg stadium van herbegroeiing: kapvlaktes van vijf tot vijftien jaar oud, natte elzen- en wilgenopslag, lariksveen aan de rand van moerasbos en verruigde weilanden met verspreide bomen. De soort heeft opgaande bomen nodig als zangpost én een dichte kruidlaag voor het nest, dat op de grond staat. Waar de opslag doorschiet tot gesloten bos verdwijnt hij binnen enkele jaren. In de winter gebruikt hij open bos en koffieplantages met schaduwbomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Twee gescheiden broedkernen: de eerste rond de Grote Meren, met het zwaartepunt in Minnesota, Wisconsin, Michigan, Manitoba en Ontario; de tweede in de Appalachen van New York en Pennsylvania zuidwaarts tot de bergen van North Carolina en Tennessee. De vogels van de Grote Meren overwinteren in Midden-Amerika en Zuid-Mexico, die van de Appalachen vrijwel geheel in Noord-Zuid-Amerika; dat verschil hangt samen met een genetisch verschil op het Z-chromosoom. De trek loopt in het voorjaar door Texas en de Golfkust en in de nazomer via het oosten van het continent.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei en juni op het geluid, in jonge kapvlaktes en natte opslag: de zoemende bzzzzz bzz bzz bzz is de betrouwbaarste ingang, want de vogel zit vaak stil op een kale tak boven de struiken. Beste kans zijn de beheerde struweelpercelen in Noord-Minnesota en de hooggelegen weiden van de Appalachen; noteer bij elke vogel of keel en masker zwart of grijs zijn, en of er geel op de borst zit, zodat kruisingen herkenbaar blijven.
Staat van instandhouding
De soort staat als gevoelig (NT) op de Rode Lijst. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de populatie op ongeveer 390.000 vogels, waarvan ruwweg de helft in Minnesota broedt. Tussen 1966 en 2023 nam het aantal met ongeveer 52 procent af; de Appalachenpopulatie liep met circa 98 procent terug, terwijl de kern rond de Grote Meren stabieler bleef. Oorzaken zijn het verdwijnen van jong struweel doordat bos dichtgroeit of wordt bebouwd, en broedparasitisme door de bruinkopkoevogel. Genetisch onderzoek liet zien dat geel- en blauwvleugelzanger voor 99,97 procent overeenkomen en al duizenden jaren kruisen, zodat hybridisatie een kleinere rol speelt dan lang werd aangenomen. Beheer richt zich op het steeds opnieuw scheppen van struweel binnen een bosgebied.
Wetenschappelijke naam
Vermivora chrysoptera | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla chrysoptera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vermivora komt van het Latijnse vermis 'worm' en vorare 'verslinden', dus 'wormeneter', naar het zoeken van rupsen. De soortnaam chrysoptera is Grieks voor 'goudvleugel', van chrysos 'goud' en pteron 'vleugel', naar de gele vleugelvlek — dezelfde eigenschap die de Nederlandse en Engelse naam opleveren. Het type kwam uit Pennsylvania, later beperkt tot de omgeving van Philadelphia.




