Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Meniezanger
Meniezanger | Myioborus miniatus
Slate-throated Redstart | Candelita plomiza
De meniezanger is een kleine zanger van de bergbossen van Mexico en Midden-Amerika die zijn witgerande staart voortdurend open- en dichtklapt. Binnen dit gidsgebied is hij standvogel van de Mexicaanse hooglanden; ten noorden van de grens komt hij alleen als dwaalgast in Zuidoost-Arizona en West-Texas terecht.
Geluid
De roep is een scherp, hoog pik of tsjip, vaak herhaald terwijl de vogel door het middenbos beweegt. De zang is een reeks van acht tot vijftien heldere, snel opeenvolgende notities die aan het eind in toonhoogte stijgt of juist wegvalt; het patroon verschilt sterk per streek en per individu, zodat twee buurmannetjes verschillende strofen kunnen zingen. Er wordt vrijwel het hele jaar door gezongen, met een piek van maart tot juni.
Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · Bellavista Cloud Forest Reserve, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen, kop en keel zijn leigrijs, met een roodbruine kruinvlek die alleen van dichtbij of bij opgezette kruinveren te zien is. De onderdelen zijn bij de Mexicaanse ondersoorten helderrood; verder naar het zuiden worden ze oranje en in de Andes geel. De staart is zwart met brede witte buitenranden en witte punten. Kenmerkend is het gedrag: de vogel houdt de vleugels half gespreid, waaiert de staart open en draait ermee heen en weer, waardoor het wit flitst en insecten opvliegen die hij in de lucht vangt.
Verwarringssoorten
De roodbuikzanger, de enige verwante soort die in de Verenigde Staten broedt, heeft een grote witte vleugelvlek, een witte halvemaan onder het oog en een zwarte kop zonder roodbruine kruinvlek. De meniezanger mist beide witte kentekens en heeft een grijze in plaats van zwarte keel. De roodmaskerzanger heeft rood in het gezicht maar een normaal staartgedrag en geen wit op de buitenste staartpennen.
Leefgebied
Vochtig bergbos tussen ruwweg 600 en 2500 meter: in Noord-Mexico dennen-eikenbos en eikenbos op de flanken van de Sierra Madre, zuidelijker ook nevelwoud en halfvochtig loofbos. Hij houdt zich op in de bovenste onderlaag en de middenverdieping, vaak in ravijnen langs beken en aan bosranden, en sluit zich in de winter aan bij gemengde troepen met vireo's, mezen en andere zangers. Kaal gekapt land en laaglandregenwoud mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van Noordwest- en Noordoost-Mexico door Midden-Amerika en de Andes tot Noordwest-Argentinië, met twaalf ondersoorten. Binnen dit gidsgebied gaat het om de bergketens van beide Mexicaanse Sierra's, van Sonora, Chihuahua en Tamaulipas zuidwaarts, en om Guatemala, El Salvador, Honduras en Noord-Nicaragua. De vogel trekt niet, maar zakt plaatselijk in de winter enkele honderden meters in hoogte. In de Verenigde Staten zijn enkele tientallen waarnemingen aanvaard, vrijwel allemaal uit de grenscanyons van Zuidoost-Arizona en het Big Bend-gebied in Texas, verspreid over het voorjaar en de zomer.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in Mexicaanse bergravijnen met eiken en dennen naar een kleine vogel die zich niet stilhoudt: de open waaierstaart met flitsend wit valt eerder op dan de kleur. Bij een dwaalgast in Arizona of Texas is de eerste controle de vleugel — geen witte vleugelvlek betekent geen roodbuikzanger.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC); het areaal is groot en de populatie wordt als stabiel beoordeeld. Binnen dit gidsgebied is het verlies van bergbos in Mexico en Midden-Amerika de belangrijkste druk, maar de soort houdt stand in aangetast bos en op bosranden zolang er struiklaag en middenbos overblijven. Systematische tellingen in het kerngebied ontbreken.
Wetenschappelijke naam
Myioborus miniatus | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Setophaga miniata naar een exemplaar uit de bossen bij Valladolid, het huidige Morelia in Michoacán; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myioborus komt van het Griekse muia 'vlieg' en -boros 'etend', naar het vangen van insecten in de lucht. De soortnaam miniatus is Latijn voor 'met menie geverfd', naar het rood van de onderdelen; de Nederlandse naam verwijst naar diezelfde menierode kleur.





