Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Gele kardinaal
Gele kardinaal | Pheucticus chrysopeplus
Yellow Grosbeak | Picogrueso amarillo
De gele kardinaal is de grootste van de vier Pheucticus-soorten en de enige met een geheel gele kop en onderkant. Hij hoort bij de Pacifische helling van Mexico, van Sonora tot Oaxaca, en bereikt Arizona alleen als dwaalgast in de zomer.
Geluid
De roep is een metalig, kort iek of plik, harder en scherper dan bij de zwartkopkardinaal, en in de vlucht een zachtere, dunne noot. De zang is een vloeiende, roodborstachtige kwinkeleerreeks, maar korter en met minder wisselingen dan die van de zwartkop- of roodborstkardinaal; het mannetje zingt vanaf een hoge tak aan de bosrand, vooral in de vroege ochtend in het regenseizoen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje heeft een egaal gele kop, borst en buik, een zwarte rug met gele vlekken, een gele stuit en zwarte vleugels en staart met grote witte vlekken. De snavel is zwaar en kegelvormig, met een lichte ondersnavel. Het vrouwtje is doffer: olijfgeel in plaats van goudgeel, met grijs waar het mannetje zwart is en met kleinere witte vleugeltekens. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar hebben bruinere vleugels. Met 21,5 tot 24 cm is de soort merkbaar groter en zwaarder dan de andere kardinalen van Noord-Amerika.
Verwarringssoorten
De zwartkopkardinaal heeft een zwarte kop, een oranjebruine borst en een gele buik, en is kleiner; alleen zeer bleke vrouwtjes van die soort kunnen bij slecht licht verwarring geven, maar hun onderdelen zijn oker met streping op de flanken, niet effen geel. De vrouwtjesachtige gele kardinaal blijft te herkennen aan de zware snavel, het formaat en de ongestreepte gele onderdelen. Bij een gele vogel in Arizona is een ontsnapte kooivogel een reële mogelijkheid; let op veerslijtage en pootringen.
Leefgebied
Tropisch loofbos, doornbos en dennen-eikenbos in het heuvelland, meestal beneden 1800 meter. Hij zit hoog in de bomen, aan bosranden en in half open begroeiing langs beken en akkers, en mijdt zowel gesloten regenwoud als nevelwoud. In het droge seizoen verzamelen groepjes zich rond vruchtdragende bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal ligt vrijwel geheel op de Pacifische helling van Mexico, van Midden-Sonora en Zuidwest-Chihuahua zuidwaarts door Sinaloa, Nayarit, Jalisco en Guerrero tot Noordwest-Oaxaca, met een aparte populatie in Zuid-Chiapas en Guatemala. In het noorden, in Sonora, is de soort trekvogel en alleen 's zomers aanwezig; verder zuidwaarts blijft hij het hele jaar. In de Verenigde Staten zijn enkele tientallen gevallen vastgesteld, vooral in Zuidoost-Arizona en meestal in mei tot juli, met losse waarnemingen uit Californië, New Mexico, Colorado en Iowa.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In West-Mexico is de kans het grootst in de vroege ochtend langs een beek in het loofbos, waar de vogel hoog in een bloeiende of vruchtdragende boom zit. In Arizona betreft het bijna altijd een enkele vogel aan een voederplaats in de grenscanyons, van mei tot juli; die gevallen worden doorgaans snel gemeld.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd: het areaal is groot en de populatie wordt als stabiel ingeschat. Het tropisch loofbos van de Pacifische helling gaat wel achteruit door omzetting in weiland en akker, wat plaatselijk tot verdwijnen leidt. De soort wordt in Mexico ook als kooivogel gehouden; hoe groot de vangst is, is niet vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Pheucticus chrysopeplus | (Vigors, 1832)
Vigors beschreef de soort in 1832 als Coccothraustes chrysopeplus naar materiaal uit Mexico, later beperkt tot San Blas in Nayarit; door de verhuizing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pheucticus gaat terug op het Griekse pheuktikos 'schuw, geneigd te ontwijken'. De soortnaam chrysopeplus komt van khrusos 'goud' en peplos 'gewaad' en betekent dus 'met het gouden kleed'.





