Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Roodkraagkardinaal
Roodkraagkardinaal | Periporphyrus celaeno
Crimson-collared Grosbeak | Picogrueso acollarado
De roodkraagkardinaal is een zware, dikbekkige kardinaal van het bergland en de laagvlakte van Noordoost-Mexico. Binnen dit gidsgebied bereikt hij Noord-Amerika ten noorden van de Rio Grande alleen als dwaalgast: in sommige winters duikt een enkele vogel op in de parken van Zuid-Texas.
Geluid
De zang is een langzame, heldere fluitreeks van warrelende notities, waarvan de laatste doorgaans omhoog wordt geknepen. Daarnaast klinkt een doordringend, met een s-achtige inzet beginnend fluitsignaal dat naar boven of naar beneden glijdt. De roep is een scherp, metaalachtig tsjink. Dwaalgasten in Texas zwijgen meestal en laten hooguit de roep horen.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje is zwart op kop, keel en vleugels, met een dofrode tot roze-rode band in de nek die doorloopt over de schouders en de onderdelen; op de buik staat het rood gevlekt met zwart. Het vrouwtje heeft dezelfde zwarte kop en borst, maar is olijfgroen op de bovendelen en geelgroen op de onderdelen. Jonge vogels lijken op het vrouwtje met minder zwart. De snavel is bij beide geslachten zwaar, hoog aan de basis en donker; de staart is lang voor een kardinaal van dit formaat. De vogel beweegt traag en blijft vaak lang stil in de struiklaag.
Verwarringssoorten
Binnen het gidsgebied is er weinig waarmee hij te verwisselen is. De roodkraagtangare (Ramphocelus sanguinolentus) heeft een veel dunnere snavel met een zilveren onderbasis en een scherp begrensde rode kraag zonder rood op de buik. De vrouwtjes van de azuurbisschop zijn effen bruin, zonder zwarte kop en zonder groen. Het vrouwtje van deze soort is aan de combinatie van zwarte kop, groene rug en gele onderdelen direct te herkennen.
Leefgebied
Vochtig en halfdroog loofbos, bosrand en oude tweede opslag in de uitlopers van de Sierra Madre Oriental, van laagland tot ongeveer 1800 meter. Hij foerageert op alle hoogten, ook laag in de struiklaag en op de grond. In Zuid-Texas houden de dwaalgasten zich op in de resterende stukken tamaulipan-doornbos en in de beplante parken en heiligdommen langs de Rio Grande.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het gehele areaal ligt in Noordoost-Mexico: centraal Nuevo León, Tamaulipas, het oosten van San Luis Potosí, Noordoost-Puebla en Noord-Veracruz. De soort is standvogel maar zakt in de winter naar lager gelegen bos. In de winters met de sterkste noordwaartse verplaatsing worden enkele vogels in de benedenloop van de Rio Grande in Texas gevonden, meestal tussen november en maart; sommige daarvan blijven weken tot maanden op één plek.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Voor de dwaalgasten in Texas geldt: volg de meldingen van november tot maart en zoek in de bekende parken langs de Rio Grande, waar de vogel onder de struiken naar gevallen vruchten zoekt. Hij verraadt zich vaker door beweging in de onderbegroeiing dan door geluid. In het broedgebied zijn de bergwegen ten westen van Ciudad Victoria de gangbare plek.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC); de populatie is niet nauwkeurig geteld, maar het areaal is klein en beperkt tot één bergketen en de aangrenzende laagvlakte. Ontbossing en omzetting van bos in landbouwgrond in Tamaulipas en Nuevo León verkleinen het beschikbare gebied. Voor de Verenigde Staten is de soort geen beheervraag: het gaat om losse dwaalgasten.
Wetenschappelijke naam
Periporphyrus celaeno | (Deppe, 1830)
Deppe beschreef de soort in 1830 als Tanagra Celaeno, naar een exemplaar uit Papantla in Veracruz; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lang stond ze als enige soort in het geslacht Rhodothraupis; genetisch onderzoek bracht haar bij Periporphyrus, uit het Grieks peri 'rondom' en porphyreos 'purperrood'. De soortnaam celaeno verwijst naar Celaeno uit de Griekse mythologie, van kelainos 'donker, zwart'. De Nederlandse naam benoemt de rode band in de nek van het mannetje.



