Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Roodborstkardinaal

Roodborstkardinaal | Pheucticus ludovicianus

Rose-breasted Grosbeak | Picogrueso pechirrosado

De roodborstkardinaal is de oostelijke tegenhanger van de zwartkopkardinaal: een zware zaadeter van loofbos met een driehoekige, bleke snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop en een rode driehoek op de witte borst; de soort broedt van Brits-Columbia tot Nova Scotia en verlaat Noord-Amerika in het najaar bijna volledig.

Roodborstkardinaal (Pheucticus ludovicianus)
Foto: U.S. Fish and Wildlife Service - Midwest Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, hard iek dat aan het piepen van een gymschoen op een vloer doet denken, en in de vlucht een dun hiek. De zang is een aaneengesloten, vloeiende kwinkeleerreeks die op die van de roodborstlijster lijkt maar hoger, sneller en met meer glijdende overgangen klinkt. Ook het vrouwtje zingt, zachter en korter, soms vanaf het nest; het mannetje zingt af en toe door terwijl het broedt.

Luister: ZangXC1087131

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Tuttle Marsh WA, Iosco County, Michigan, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in broedkleed is zwart op kop, rug, vleugels en staart, wit op borst en buik, met een scherp afgetekende roodroze driehoek op de bovenborst en rozerode okselveren die in de vlucht te zien zijn. Twee witte vleugelstrepen en witte vlekken in vleugel en staart flitsen bij het opvliegen. Het vrouwtje is bruin gestreept met een brede witte wenkbrauwstreep, een bleke middenkruinstreep en gele okselveren. De snavel is bij beide geslachten dik, kegelvormig en hoornkleurig tot roze. Eerstejaarsmannetjes hebben een bruine kop met een matte, oranjeroze borst.

Verwarrings­soorten

De zwartkopkardinaal overlapt op de Great Plains en hybridiseert er met deze soort; het mannetje daarvan heeft een oranjebruine in plaats van witte onderkant en gele okselveren. De vrouwtjes lijken het meest op elkaar: die van de roodborstkardinaal heeft duidelijke, scherpe strepen over de borst en flanken, die van de zwartkop een oker grondkleur met fijnere, beperktere streping. Een vrouwtjesachtige vogel kan ook aan een grote gors doen denken, maar de snavel is aanzienlijk zwaarder.

Leefgebied

Open loofbos en gemengd bos met een rijke ondergroei, vooral tweede-generatiebos, bosranden, houtwallen en beekbegeleidend bos; ook parken en tuinen met oude bomen. In het broedgebied wordt de soort talrijker waar kap of storm gaten in het kronendak heeft gemaakt. In de winter zit hij in halfopen bos, koffieplantages met schaduwbomen en bosranden in Mexico en Midden-Amerika.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en Alberta oostwaarts door de boreale zoom van Canada tot Nova Scotia, en zuidwaarts in de Verenigde Staten tot Kansas, Missouri, Ohio en langs de Appalachen tot Noord-Georgia. In het najaar trekt vrijwel de hele populatie via het oosten van de Verenigde Staten en de Golfkust naar Mexico, Midden-Amerika, West-Cuba en Zuid-Amerika tot Peru. De soort komt in kleine aantallen als dwaalgast in West-Europa terecht. De aantallen in het noordwesten van het broedgebied nemen toe, terwijl ze in het zuidoosten afnemen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In mei, als de bomen nog niet vol in blad staan, zingen de mannetjes hoog in de kroon van bosranden en zijn ze goed te vinden. Buiten de zangtijd is de roep het bruikbaarst: dat harde piepende iek hoor je vaak voordat je de vogel ziet. Aan voedertafels met zonnebloempitten verschijnt de soort in mei tijdens de doortrek.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1970 een matige afname zien, het sterkst in het zuidoosten van het areaal; Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op enkele miljoenen vogels. Verlies van bos in het overwinteringsgebied en botsingen met ramen en zendmasten tijdens de nachtelijke trek zijn de bekendste drukfactoren. Het bos in het noorden van het broedgebied groeit op sommige plaatsen juist terug.

Wetenschappelijke naam

Pheucticus ludovicianus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Loxia ludoviciana naar een exemplaar uit Louisiana; door de plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam ludovicianus betekent 'van Louisiana', gevormd op het Latijnse Ludovicus voor de naam Lodewijk, waarnaar het gebied genoemd was. Het geslacht Pheucticus gaat terug op het Griekse pheuktikos 'schuw, geneigd te ontwijken'. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen allebei op de rode borstvlek van het mannetje.