Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Roodborstkardinaal
Roodborstkardinaal | Pheucticus ludovicianus
Rose-breasted Grosbeak | Picogrueso pechirrosado
De roodborstkardinaal is de oostelijke tegenhanger van de zwartkopkardinaal: een zware zaadeter van loofbos met een driehoekige, bleke snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop en een rode driehoek op de witte borst; de soort broedt van Brits-Columbia tot Nova Scotia en verlaat Noord-Amerika in het najaar bijna volledig.
Geluid
De roep is een scherp, hard iek dat aan het piepen van een gymschoen op een vloer doet denken, en in de vlucht een dun hiek. De zang is een aaneengesloten, vloeiende kwinkeleerreeks die op die van de roodborstlijster lijkt maar hoger, sneller en met meer glijdende overgangen klinkt. Ook het vrouwtje zingt, zachter en korter, soms vanaf het nest; het mannetje zingt af en toe door terwijl het broedt.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Tuttle Marsh WA, Iosco County, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in broedkleed is zwart op kop, rug, vleugels en staart, wit op borst en buik, met een scherp afgetekende roodroze driehoek op de bovenborst en rozerode okselveren die in de vlucht te zien zijn. Twee witte vleugelstrepen en witte vlekken in vleugel en staart flitsen bij het opvliegen. Het vrouwtje is bruin gestreept met een brede witte wenkbrauwstreep, een bleke middenkruinstreep en gele okselveren. De snavel is bij beide geslachten dik, kegelvormig en hoornkleurig tot roze. Eerstejaarsmannetjes hebben een bruine kop met een matte, oranjeroze borst.
Verwarringssoorten
De zwartkopkardinaal overlapt op de Great Plains en hybridiseert er met deze soort; het mannetje daarvan heeft een oranjebruine in plaats van witte onderkant en gele okselveren. De vrouwtjes lijken het meest op elkaar: die van de roodborstkardinaal heeft duidelijke, scherpe strepen over de borst en flanken, die van de zwartkop een oker grondkleur met fijnere, beperktere streping. Een vrouwtjesachtige vogel kan ook aan een grote gors doen denken, maar de snavel is aanzienlijk zwaarder.
Leefgebied
Open loofbos en gemengd bos met een rijke ondergroei, vooral tweede-generatiebos, bosranden, houtwallen en beekbegeleidend bos; ook parken en tuinen met oude bomen. In het broedgebied wordt de soort talrijker waar kap of storm gaten in het kronendak heeft gemaakt. In de winter zit hij in halfopen bos, koffieplantages met schaduwbomen en bosranden in Mexico en Midden-Amerika.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en Alberta oostwaarts door de boreale zoom van Canada tot Nova Scotia, en zuidwaarts in de Verenigde Staten tot Kansas, Missouri, Ohio en langs de Appalachen tot Noord-Georgia. In het najaar trekt vrijwel de hele populatie via het oosten van de Verenigde Staten en de Golfkust naar Mexico, Midden-Amerika, West-Cuba en Zuid-Amerika tot Peru. De soort komt in kleine aantallen als dwaalgast in West-Europa terecht. De aantallen in het noordwesten van het broedgebied nemen toe, terwijl ze in het zuidoosten afnemen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In mei, als de bomen nog niet vol in blad staan, zingen de mannetjes hoog in de kroon van bosranden en zijn ze goed te vinden. Buiten de zangtijd is de roep het bruikbaarst: dat harde piepende iek hoor je vaak voordat je de vogel ziet. Aan voedertafels met zonnebloempitten verschijnt de soort in mei tijdens de doortrek.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1970 een matige afname zien, het sterkst in het zuidoosten van het areaal; Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op enkele miljoenen vogels. Verlies van bos in het overwinteringsgebied en botsingen met ramen en zendmasten tijdens de nachtelijke trek zijn de bekendste drukfactoren. Het bos in het noorden van het broedgebied groeit op sommige plaatsen juist terug.
Wetenschappelijke naam
Pheucticus ludovicianus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Loxia ludoviciana naar een exemplaar uit Louisiana; door de plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam ludovicianus betekent 'van Louisiana', gevormd op het Latijnse Ludovicus voor de naam Lodewijk, waarnaar het gebied genoemd was. Het geslacht Pheucticus gaat terug op het Griekse pheuktikos 'schuw, geneigd te ontwijken'. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen allebei op de rode borstvlek van het mannetje.





