Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Zwartkopkardinaal

Zwartkopkardinaal | Pheucticus melanocephalus

Black-headed Grosbeak | Picogrueso cabecinegro

De zwartkopkardinaal is de westelijke tegenhanger van de roodborstkardinaal: een zware zaadeter van beekbegeleidend bos en eikenhellingen, met een dikke tweekleurige snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop en oranjebruine onderdelen; hij broedt van Brits-Columbia tot Midden-Mexico en overwintert vrijwel geheel in Mexico.

Zwartkopkardinaal (Pheucticus melanocephalus)
Foto: Don Faulkner — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, kort pik met een piepende klank, iets zachter dan bij de roodborstkardinaal. De zang is een rijke, doorlopende kwinkeleerreeks die op die van de roodborstlijster lijkt maar sneller, vloeiender en zachter klinkt, met stijgende en dalende bogen. Ook het vrouwtje zingt een kortere versie, soms vanaf het nest, en beide geslachten zingen door tijdens het broeden.

Luister: ZangXC1150136

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Upper Fish Hatchery Road, Sequim, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje heeft een zwarte kop, zwarte vleugels met twee witte strepen en grote witte vlekken, een zwart met oker gevlekte rug en oranjebruine borst, hals en flanken die op de buik in geel overgaan. De okselveren zijn geel en flitsen in de vlucht. Het vrouwtje is oker met een brede witte wenkbrauwstreep, een bleke middenkruinstreep en fijne, beperkte streping op de flanken — de borst is grotendeels ongestreept. De snavel is bij beide geslachten dik en kegelvormig, met een donkere bovensnavel en een bleke ondersnavel. Eerstejaarsmannetjes lijken op vrouwtjes maar zijn feller oranje op de borst.

Verwarrings­soorten

De roodborstkardinaal is het meest verwant en overlapt op de Great Plains, waar beide soorten hybridiseren; het mannetje daarvan heeft een witte onderkant met een rode driehoek en rozerode okselveren. Bij de vrouwtjes zijn de verschillen het kleinst: die van de zwartkopkardinaal is warm oker met vrijwel ongestreepte borst en gele okselveren, die van de roodborstkardinaal witter en overal scherp gestreept, met rozerode okselveren. De gele kardinaal, die als dwaalgast in Arizona opduikt, is groter en heeft een geheel gele kop en onderkant.

Leefgebied

Open bos met struiklaag: beekbegeleidend loofbos in droge streken, eikenbos en dennen-eikenbos van de bergen, espenbos en jonge opslag na kap, meestal tussen zeeniveau en 2500 meter. In het westen van de Verenigde Staten is de soort ook talrijk in voorsteden met oude bomen en in boomgaarden. In de winter zit hij in dennen-eikenbos en tropisch loofbos van de Mexicaanse hooglanden; daar eet hij onder meer monarchvlinders in de overwinteringskolonies, waarvan hij het gif verdraagt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Zuidwest-Brits-Columbia en Zuid-Alberta door vrijwel het hele westen van de Verenigde Staten oostwaarts tot de westelijke Dakota's, Nebraska en West-Kansas, en zuidwaarts door Noord-Mexico. De trek begint vroeg: veel vogels vertrekken al in augustus. Het overwinteringsgebied ligt in Midden- en Zuid-Mexico, van Sinaloa en Hidalgo zuidwaarts tot Oaxaca en Chiapas; slechts weinig vogels blijven in het uiterste zuidwesten van de Verenigde Staten. In de hooglanden van Midden-Mexico broeden ook standvogels.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in mei en juni langs een beek met wilg, els of populier in het westen: de zang draagt ver en het mannetje zingt vanaf een half open tak halverwege de kroon. Bij een vrouwtjesachtige vogel is het het snelst om op de borst te letten — warm oker en vrijwel zonder strepen wijst op deze soort, scherp en over de hele borst gestreept op de roodborstkardinaal.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat een stabiele tot licht stijgende trend zien en Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op enkele miljoenen vogels. Het verdwijnen van beekbegeleidend bos in het droge westen, door wateronttrekking en begrazing, is de belangrijkste plaatselijke druk; daar staat tegenover dat de soort in voorsteden en aangeplant groen standhoudt.

Wetenschappelijke naam

Pheucticus melanocephalus | (Swainson, 1827)

Swainson beschreef de soort in 1827 als Guiraca melanocephalus naar een exemplaar van de hoogvlakte bij Temascaltepec in de staat Mexico; door de verhuizing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam melanocephalus komt van het Griekse melas 'zwart' en kephalē 'kop' en betekent dus 'zwartkoppig', naar het mannetje. Het geslacht Pheucticus gaat terug op het Griekse pheuktikos 'schuw, geneigd te ontwijken'.