Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Noordse waterlijster
Noordse waterlijster | Parkesia noveboracensis
Northern Waterthrush | Chipe charquero
De noordse waterlijster is een Amerikaanse zanger die niet in het bladerdak fladdert maar over de modder van bosmoerassen loopt, met een aanhoudend wippend achterlijf. Hij broedt door het hele boreale gebied van Alaska tot Newfoundland en overwintert van Zuid-Florida en de Antillen tot Noord-Zuid-Amerika.
Geluid
De zang is een luide, harde reeks van drie delen die in toonhoogte daalt en in tempo versnelt: tsjwiet tsjwiet tsjwiet, swie swie, tsjoe-tsjoe-tsjoe. Hij draagt ver over stil water en wordt vaak gezongen vanaf een tak boven de oever, ook midden op de dag. De roep is een scherpe, metalen spwik met een harde k aan het eind, luider en vlakker dan de meeste zangerroepen; op de trek is dit vaak het enige wat je van de vogel hoort.
Opname: Cassin Finch — CC BY-NC-SA 4.0 · LaBonte Park (near Laramie), Albany County, Wyoming, United States · xeno-canto
Herkenning
Egaal donker olijfbruin van boven, vuilwit tot bleekgeel van onderen met dichte donkere streping tot op de keel. Over het oog loopt een smalle wenkbrauwstreep die naar achteren versmalt en meestal geelachtig of vuilwit is, niet zuiver wit. De poten zijn donker vleeskleurig. Het meest bruikbare kenmerk is het gedrag: de vogel loopt met korte passen door ondiep water en over natte bladeren en wipt daarbij voortdurend met staart en achterlijf, zoals een Amerikaanse oeverloper. Man en vrouw zien er gelijk uit.
Verwarringssoorten
De louisianawaterlijster is groter, heeft een brede, naar achteren juist breder wordende en zuiver witte wenkbrauwstreep, een ongestreepte witte keel, felroze poten en okerkleurige flanken. Bij de noordse waterlijster is de wenkbrauw smal en gelijkmatig, de keel fijn gestippeld en de ondergrond gelijkmatig van kleur. De ovenvogel loopt ook op de bodem, maar heeft een oranje kruinstreep tussen zwarte randen, een witte oogring in plaats van een wenkbrauwstreep en wipt niet met het achterlijf.
Leefgebied
Broedt bij stilstaand of traag water: moerasbos van zwarte spar en els, veenmoeras en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada), beverdammen en dichtbegroeide oevers van meertjes. Waar de louisianawaterlijster stromende beken in heuvelland kiest, hoort deze soort bij het stille, vlakke water van het noorden. Het nest ligt verstopt tussen de wortels van een omgevallen boom of in een holte in een oeverwal. In de winter zit hij vooral in mangrove en in vochtig struweel langs kust en lagunes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van West- en Midden-Alaska en Yukon oostwaarts door heel boreaal Canada tot Newfoundland, en in de Verenigde Staten zuidwaarts tot de bergen van Washington en Montana, de Grote Meren, New England en Noord-Pennsylvania. Vanaf augustus trekken de vogels breed door het oosten en het midden van het continent; de terugtrek in mei valt laat. Overwinteren doet hij van Zuid-Florida, de Bahama's en de Grote Antillen door de kustlaaglanden van Mexico en Midden-Amerika tot Colombia, Venezuela en Ecuador.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei langs de rand van een beboste poel en let eerst op beweging bij de waterlijn, niet op kleur — het wippende achterlijf verraadt hem eerder dan de streping. Op de trek is de harde spwik-roep uit een dichte oeverstruik vaak het enige spoor.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 17 miljoen vogels en de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) geeft sinds 1970 een toename van rond de 54 procent; de soort is niet bedreigd (LC) en geldt als van laag zorgniveau. Het boreale broedgebied is uitgestrekt en grotendeels ongerept, maar drooglegging van veen en winning in de boreale zone vormen op langere termijn een knelpunt. In het overwinteringsgebied is het verlies van mangrove de belangrijkste druk.
Wetenschappelijke naam
Parkesia noveboracensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla noveboracensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Parkesia werd in 2008 ingevoerd door George Sangster en is genoemd naar de Amerikaanse ornitholoog Kenneth Carroll Parkes. De soortnaam noveboracensis betekent 'van New York', naar Novum Eboracum, de Latijnse vorm van de stadsnaam; Eboracum was de Romeinse naam van York in Engeland. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen naar het lopen langs het water en de lijsterachtige streping, al is het geen lijster.






