Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Ovenvogel
Ovenvogel | Seiurus aurocapilla
Ovenbird | Reinita hornera
De ovenvogel is de Amerikaanse zanger die niet in het bladerdak fladdert maar over de bosbodem loopt, met opgeheven staart en knikkende kop. Hij broedt in gesloten loof- en gemengd bos van Brits-Columbia tot Newfoundland en zuidwaarts tot de Golfstaten, en ontleent zijn naam aan het overkapte grondnest.
Geluid
De zang is een reeks tweelettergrepige noten die in luidheid toeneemt: tsjer-tie tsjer-tie tsjer-TIE, in Engelse veldgidsen weergegeven als teacher-teacher-TEACHER. Hij draagt ver door gesloten bos en is vaak het talrijkste geluid van een junimorgen. Daarnaast heeft het mannetje een langere, warrelende vluchtzang, meestal in de schemering. De roep is een scherp, droog tsjek.
Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · Cavan-Monaghan (near Millbrook), Peterborough County, Ontario, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een compacte, kortstaartige zanger met olijfbruine bovendelen en witte onderdelen met zware zwarte streping in rijen, als bij een kleine lijster. Over de kruin loopt een oranje tot roestbruine streep, aan weerszijden zwart afgezet; die is alleen bij een zittende, van voren geziene vogel te zien. Rond het oog staat een volledige witte oogring in een verder egaal gezicht. Vleugelstrepen ontbreken. Het gedrag is doorslaggevend: hij loopt in plaats van te huppen, stapt bedachtzaam over de bladerlaag en houdt de staart licht omhoog.
Verwarringssoorten
De noordse en de louisianawaterlijster lopen ook op de grond, maar zijn slanker, hebben een brede lichte wenkbrauwstreep in plaats van een oogring en geen oranje kruinstreep, en wippen voortdurend met het achterlijf; ze houden zich bovendien aan de waterkant. Lijsters van het geslacht Catharus, zoals de dwerglijster, zijn veel groter, hebben een langere staart en een zwaardere snavel en missen de kruinstreep. De zang scheidt de ovenvogel van alle drie zonder twijfel.
Leefgebied
Uitgestrekt, gesloten loofbos en gemengd bos met een hoge kroonlaag en een open, met blad bedekte bodem; ook rijpe naaldbossen in het noorden. Dichte struiklaag en jonge opslag mijdt hij, evenals natte bosbodem — daar nemen de waterlijsters het over. Het broedsucces daalt sterk in kleine bosfragmenten. In het overwinteringsgebied gebruikt hij tropisch loofbos, schaduwkoffie en mangroverand, waar hij eveneens over de bodem loopt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en de zuidelijke Northwest Territories oostwaarts door de Canadese provincies tot Newfoundland, en in de Verenigde Staten van de noordelijke prairiestaten en de Grote Meren naar New England en zuidwaarts via de Appalachen tot Georgia en Arkansas. De overwintering ligt grotendeels buiten dit gidsgebied, maar binnen de gids gaat het om Zuid-Florida, de Golfkust van Mexico van Veracruz tot Yucatán, Chiapas en Oaxaca, heel Midden-Amerika tot Nicaragua en de Grote en Kleine Antillen. Door het zuidoosten van de Verenigde Staten en Noordoost-Mexico trekt hij door.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Volg in mei en juni de zang naar het middendeel van een groot bos en blijf dan stilstaan: de vogel loopt vaak op enkele meters langs zonder verder op te vallen. In het najaar kun je hem op de doortrek in stadsparken en tuinen aantreffen, opnieuw lopend over de bodem in plaats van in het struikgewas.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 26 miljoen vogels; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat tussen 1966 en 2019 een stabiele tot licht stijgende trend zien en de soort is niet bedreigd (LC) en geldt als van gering instandhoudingsbelang. Regionaal is het beeld anders: versnippering van bos verhoogt de kans op nestparasitisme door de bruinkopkoevogel en op predatie, waardoor kleine bospercelen weinig jongen opleveren. Door de nachtelijke trek behoort hij tot de soorten die vaak tegen verlichte gebouwen vliegen.
Wetenschappelijke naam
Seiurus aurocapilla | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla aurocapilla, bij de kwikstaarten; omdat ze later is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam komt van het Latijnse aurum 'goud' en capillus 'haar', naar de oranje kruinstreep. Het geslacht Seiurus werd in 1827 ingevoerd door Swainson, naar het Griekse seiō 'schudden, bewegen' en oura 'staart'. De Nederlandse en de Engelse naam verwijzen naar het overkapte grondnest met een zijingang, dat aan een bakoven doet denken.




