Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Langstaarttroepiaal
Langstaarttroepiaal | Quiscalus mexicanus
Great-tailed Grackle | Zanate mexicano
De langstaarttroepiaal is de grootste troepiaal van Noord-Amerika en de vogel van pleinen, parkeerterreinen en irrigatiekanalen in Mexico en het Amerikaanse zuidwesten. Sinds omstreeks 1880 breidde hij zijn areaal in noordelijke richting uit, langs steden, akkerbouw en aangelegd water; hij bereikt inmiddels Oregon, Idaho en Minnesota.
Geluid
Het repertoire van het mannetje loopt van heldere, oplopende fluittonen en tinkelende noten tot hard gekras, klepperende reeksen en een geluid dat aan een roestig scharnier doet denken; die onderdelen volgen elkaar in vaste volgorde op. Het vrouwtje roept vooral een ratelend tsjek-tsjek. De dialecten verschillen per streek. Op een stadsplein zingen tientallen mannetjes tegelijk vanuit dezelfde bomen.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Papago Park, Phoenix, Maricopa County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is geheel zwart met een paars-blauwe weerschijn, heeft een lange, breed gekielde staart die bijna de helft van de totale lengte inneemt, een zware snavel, lange poten en een felgele iris. Het vrouwtje is nauwelijks meer dan half zo zwaar, warm bruin van boven en lichter geelbruin van onderen met een bleke wenkbrauwstreep, en heeft een veel kortere staart. Jonge vogels zijn dof bruin, met een donkere iris en gestreepte onderdelen.
Verwarringssoorten
De bootstaarttroepiaal overlapt langs de Golfkust van Texas en Louisiana: die is iets kleiner, het mannetje heeft een blauwe in plaats van paarse glans, de iris is aan de Golfkust donker, en het vrouwtje is dieper geelbruin van onderen. De heldere fluittonen en klokkende noten in de zang heeft alleen de langstaarttroepiaal. De glanstroepiaal is veel kleiner, met een bronzen of paarse rug en een kortere staart. Vrouwtjes worden door de bruine kleur nog wel eens voor een grote lijster of een spotlijster aangezien; de gele iris en de zware snavel sluiten dat uit.
Leefgebied
Open, vochtig cultuurland en bebouwing: stadspleinen en parken, parkeerterreinen, boerenerven, veekralen, rijst- en maïsakkers, irrigatiekanalen, viskwekerijen, oevers van stuwmeren en langs de kust ook lagunes en mangroverand. Voor de slaapplaats en het nest kiest hij hoge bomen midden in de bebouwing of rietvelden in ondiep water. Droog, gesloten bos en bergbos mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Noord- en Centraal-Mexico tot in Midden-Amerika en zuidwaarts buiten dit gidsgebied, en in het zuidwesten van de Verenigde Staten van Californië en Nevada via Arizona, Utah, New Mexico en Colorado tot Texas, Oklahoma, Kansas en Louisiana. De noordrand van het areaal verschuift nog steeds: in Nebraska, Iowa, Missouri, Wyoming, Idaho en Oregon gaat het om recente, deels alleen zomerse broedvogels. In het noorden van het areaal trekken vogels in de winter een stuk zuidwaarts.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in het laatste uur voor zonsondergang bij de bomen van een stadsplein of een winkelcentrum, als de slaapplaats zich vult. Vergelijk in Texas en Louisiana altijd met de bootstaarttroepiaal: de gele iris, de paarse glans en de fluittonen in de zang zijn dan de beslissende kenmerken.
Staat van instandhouding
De soort is talrijk en neemt toe; de IUCN houdt de categorie niet bedreigd (LC) aan en de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1966 een sterke toename en areaaluitbreiding zien, gedragen door irrigatielandbouw, veehouderij en verstedelijking. Waar hij in aantal oploopt, wordt hij op rijst- en maïsakkers en bij slaapplaatsen in de stad bestreden. Er zijn geen aanwijzingen dat dat de landelijke trend ombuigt.
Wetenschappelijke naam
Quiscalus mexicanus | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Corvus mexicanus, dus als een kraai; omdat ze later is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam betekent 'uit Mexico', naar de herkomst van het beschreven exemplaar, dat tot de omgeving van Veracruz is herleid. Het geslacht Quiscalus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot; de herkomst van die naam is onzeker. De Spaanse naam zanate gaat terug op het Nahuatl tzanatl.






