Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bootstaarttroepiaal
Bootstaarttroepiaal | Quiscalus major
Boat-tailed Grackle | Zanate marismeño
De bootstaarttroepiaal is de grote troepiaal van de zoute kustmoerassen van het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Long Island tot Texas. Hij blijft vrijwel overal binnen enkele tientallen kilometers van zout of brak water; alleen in Florida dringt hij tot ver in het binnenland door.
Geluid
Het geluid bestaat uit harde, schetterende reeksen: een herhaald tsjeb-tsjeb-tsjeb, ratelend gekwetter en scherpe piepjes, zonder de heldere fluittonen en klokkende noten van de langstaarttroepiaal. Een kolonie in het riet levert een aanhoudend, ongeordend lawaai op. Het mannetje zingt vanaf een rietstengel of paal met gestrekte hals en trillende vleugels.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Delmarva Peninsula (near Ocean City), Worcester County, Maryland, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote troepiaal met een lange, brede staart die als een omgekeerde bootromp gekield wordt gehouden — vandaar de naam. Het mannetje is geheel zwart met een blauwe of paarsblauwe weerschijn en is fors groter dan het vrouwtje, dat warm geelbruin is met donkere vleugels en staart. De iriskleur verschilt per gebied: vogels langs de Atlantische kust hebben een bleke, gele iris, die van de Golfkust en het binnenland van Florida een donkerbruine.
Verwarringssoorten
De langstaarttroepiaal overlapt in Louisiana en Texas: die is nog langer van staart, het mannetje heeft een paarse in plaats van blauwe glans, het vrouwtje is lichter en schraler van onderen, en de iris is er altijd geel. Het stemgeluid scheidt beide het best: de langstaarttroepiaal heeft heldere fluittonen en klokkende noten die deze soort mist. De glanstroepiaal is duidelijk kleiner en heeft een bronzen of paarse glans op het lijf. Vrouwtjes zijn aan hun formaat en de geelbruine onderdelen te herkennen.
Leefgebied
Kwelders met slijkgras, brakke rietmoerassen, mangrove, estuaria en lagunes, en aangrenzende duinen en stranden. In Florida ook zoetwatermoeras en oevers van binnenmeren. Hij foerageert langs de vloedlijn en in ondiep water op krabben, garnalen en insecten, en in stadjes en havenplaatsen aan de kust op afval, terrasresten en parkeerterreinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel langs de Atlantische kust van Zuidoost-New York en New Jersey zuidwaarts over Delaware, Maryland, Virginia en de Carolina's naar Georgia en heel Florida, en verder langs de Golfkust door Alabama, Mississippi en Louisiana tot in Zuidoost-Texas. Het areaal schoof in de twintigste eeuw noordwaarts langs de Atlantische kust op; in Florida is de soort ook ver van de kust te vinden. Trek van betekenis is er niet, wel wat verplaatsing van jonge vogels.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een parkeerterrein bij een strand of veerhaven, waar hij op de grond tussen de auto's loopt. Kijk eerst naar de iris: langs de Atlantische kust bleekgeel, aan de Golf donker — dat scheelt bij de vergelijking met de langstaarttroepiaal, en let daarnaast op de afwezigheid van heldere fluittonen.
Staat van instandhouding
De soort is talrijk binnen haar smalle kustareaal en de IUCN houdt de categorie niet bedreigd (LC) aan; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling geeft een stabiele tot licht toenemende trend. Ophoging en bebouwing van kwelders verkleinen het broedgebied plaatselijk, terwijl dorpen, havens en jachthavens juist voedsel en nestgelegenheid opleveren. Doordat het areaal geheel in de zone ligt die bij orkanen en zeespiegelstijging onder water loopt, is de langere termijn onzeker.
Wetenschappelijke naam
Quiscalus major | Vieillot, 1819
Vieillot beschreef de soort in 1819 als Quiscalus major; auteur en jaartal staan zonder haakjes, omdat ze nog in het oorspronkelijke geslacht staat. De soortnaam is Latijn voor 'de grotere', ter onderscheiding van de glanstroepiaal. Het geslacht Quiscalus werd in 1816 door dezelfde auteur ingevoerd; de herkomst van die naam is onzeker. De Nederlandse en de Engelse naam verwijzen allebei naar de gekielde staart, die aan een omgekeerde boot doet denken.






