Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Pacifische winterkoning
Pacifische winterkoning | Troglodytes pacificus
Pacific Wren | Chochín del Pacífico
De Pacifische winterkoning is een van de kleinste zangvogels van Noord-Amerika: een donkerbruin bolletje met een omhooggestoken stompje staart, dat als een muis door omgevallen stammen en varens schuift. Hij hoort bij het vochtige naaldbos van de westkust, van de Aleoeten tot Centraal-Californië.
Geluid
De zang is een lange, snelle cascade van hoge trillers en tikkende noten, vaak vijf tot tien seconden aaneen en met tientallen noten per seconde — voor zijn lichaamsgewicht een van de luidste zangen van het bos. De zangende vogel trilt zichtbaar over zijn hele lichaam terwijl de staart omhoog blijft staan. De roep is een hard, droog tsjet of timp, meestal enkel of in korte paren, scherper en droger dan de roep van verwante soorten.
Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Hemer Provincial Park, Nanaimo, British Columbia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Klein en rond, donker roodbruin van boven met fijne donkere dwarsbandering op vleugels, staart en buik. De wenkbrauwstreep is bleek en smal, de keel iets lichter dan de rest van de onderzijde maar zonder scherp contrast. De staart is kort en wordt bijna voortdurend rechtop gedragen; de snavel is dun en recht. De poten zijn lang voor zo’n kleine vogel. Vogels van de Aleoeten en de eilanden van Zuid-Alaska zijn groter, langsnaviger en grijzer dan die van het vasteland.
Verwarringssoorten
De Oost-Amerikaanse winterkoning is vrijwel identiek en werd tot 2010 als dezelfde soort beschouwd; hij is iets bleker en grijzer bruin en heeft een lichtere keel die duidelijker afsteekt tegen de buik, terwijl de Pacifische winterkoning donkerder en gelijkmatiger roodbruin is. Betrouwbaarder is de stem: de roep van de Pacifische winterkoning is een hard, enkelvoudig tsjet, die van de oost-Amerikaanse een dubbel tsjimp-tsjimp dat aan een zanggors doet denken. Beide soorten ontmoeten elkaar in een smalle strook in Brits-Columbia, Alberta en Montana. De huiswinterkoning is groter, bleker en langstaartiger en zit in open struweel in plaats van in gesloten bos.
Leefgebied
Vochtig naaldbos, vooral oud sparren- en hemlockbos met veel dood hout, omgevallen stammen, opgeworpen wortelkluiten en een dichte onderlaag van mos en varens, meestal dicht bij beken. Ook gemengd bos en beekbegeleidend loofbos worden bezet. Op de Aleoeten en andere boomloze eilanden van Alaska leeft hij tussen rotsen, drijfhout en kruidenvegetatie langs de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt langs de Pacifische kust van de Aleoeten en Zuid-Alaska tot Centraal-Californië, en landinwaarts tot in de bergen van Brits-Columbia, Idaho, West-Montana, Wyoming en de Black Hills van South Dakota. Langs de kust is hij standvogel; de binnenlandse en noordelijke broedvogels trekken in de winter naar lagere ligging en naar het zuidwesten, tot in Nevada, Utah en Arizona. De populaties van de Aleoeten blijven het hele jaar op hun eilanden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in maart en april langs een beek in oud naaldbos: op dat moment zingt hij vanaf een lage stronk en is hij enkele minuten achtereen te zien. Buiten de zangtijd is de roep het houvast — sta stil bij een wortelkluit of een stapel dood hout en wacht tot het bolletje aan de andere kant weer tevoorschijn komt.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en is over haar hele areaal talrijk. Ze is wel sterk gebonden aan oud bos met veel dood hout: kaalkap en korte omlooptijden verlagen de dichtheid aanzienlijk, en in verstedelijkend gebied is het broedsucces lager dan in aaneengesloten bos. Behoud van gevallen stammen en van de beekbegeleidende bosgordel is daar bepalend.
Wetenschappelijke naam
Troglodytes pacificus | Baird, 1864
Spencer Fullerton Baird beschreef de vorm in 1864 als Troglodytes hiemalis var. pacificus, naar materiaal van Semiahmoo aan Puget Sound in Washington; pas in 2010 werd ze op grond van genetisch en akoestisch onderzoek als aparte soort erkend. Omdat de oorspronkelijke beschrijving al in Troglodytes stond, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam Troglodytes is Grieks voor ‘holbewoner’, van trogle ‘hol’ en dyein ‘binnenkruipen’, naar het wegduiken in spleten en holten. De soortnaam pacificus betekent ‘van de Grote Oceaan’.




