Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Patrijs

Patrijs | Perdix perdix

Gray Partridge | Perdiz pardilla

De patrijs is in Noord-Amerika geen inheemse vogel maar een uit Europa meegebrachte soort, die na tientallen jaren van uitzettingen aan het begin van de twintigste eeuw op de noordelijke prairies en rond de westelijke Grote Meren een blijvende plek heeft gevonden. Het is een gedrongen, kortstaartige hoenvogel van open akkerland, met een oranjebruin gezicht en, bij het volwassen mannetje, een donkere hoefijzervormige vlek op de buik. In zijn nieuwe areaal wordt hij, net als in Europa, vooral 'Hongaarse patrijs' genoemd, naar het land waar veel van de uitgezette vogels vandaan kwamen.

Patrijs (Perdix perdix)
Foto: TRinaud — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een schor, krassend kirr-ik of keeh-ik, meestal 's avonds en 's ochtends vroeg te horen en vaak het eerste teken van zijn aanwezigheid in een verder stil akkerlandschap. Bij het opvliegen — meestal pas als je er vlak bovenop staat — klinkt een snel, kakelend gegil terwijl de hele familiegroep tegelijk wegschiet. Buiten het broedseizoen houden patrijzen elkaar in de groep bijeen met korte, zachte contactroepjes.

Luister: VluchtroepXC654943

Opname: Musse Björklund — CC BY-NC-SA 4.0 · Brumstorp, Värsås Västra Götalands län, Sweden · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, ronde hoenvogel met een korte, roodachtige staart die bij het opvliegen goed opvalt. Het gezicht en de keel zijn oranjebruin, de rest van het lichaam grijsbruin met fijne golvende tekening en, bij het volwassen mannetje, een donkere, hoefijzervormige vlek op de buik die bij het vrouwtje kleiner is of ontbreekt. Jonge vogels zijn egaler bruin gestreept, zonder de buikvlek en met een minder uitgesproken gezichtstekening, en zijn tot in het najaar van de ouders te onderscheiden. In de vlucht toont hij korte, ronde vleugels en een snelle afwisseling van klapwieken en glijden, laag boven het veld.

Verwarrings­soorten

In het grootste deel van zijn Noord-Amerikaanse areaal is de patrijs de enige hoenvogel van zijn formaat in open akkerland en wordt hij zelden verward; waar hij samen voorkomt met de fazant (Phasianus colchicus) valt het verschil in grootte meteen op, met de veel grotere, langstaartige fazant. Jonge patrijzen zonder buikvlek kunnen op afstand voor een klein groepje kwartels worden aangezien, maar de inheemse kwartels van dit gebied zijn kleiner en missen de oranjebruine gezichtstekening.

Leefgebied

In Noord-Amerika is de patrijs volledig gebonden aan akkerbouwgebied: graanvelden, braakstroken, greppelranden en resten van de oorspronkelijke prairie ertussen. Hij broedt in de dekking van laag, dicht kruid langs slootkanten en veldranden en foerageert overdag in de open akkers zelf, vooral op onkruidzaden en graanresten, met insecten als voedsel voor de kuikens. Grootschalige, egale akkerbouw zonder overhoekjes en ruige randen mijdt hij; juist de kleinschalige lappendeken van oudere landbouw hield hem hier het langst in stand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Tussen 1900 en 1910 werden tienduizenden in Europa gevangen patrijzen in de Verenigde Staten uitgezet, van Californië tot New Jersey; alleen op de noordelijke Great Plains en rond de westelijke Grote Meren sloegen de vogels blijvend aan. Vandaag is de soort standvogel in het noorden van Montana, Wyoming, North en South Dakota, Nebraska, Minnesota, Iowa, Wisconsin, Idaho, Oregon en Washington, en in de aangrenzende Canadese prairieprovincies Alberta, Saskatchewan en Manitoba, met een kleinere populatie in het zuiden van Brits-Columbia. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw neemt de soort geleidelijk af door de schaalvergroting van de landbouw.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem langs grindwegen door akkerland in de vroege ochtend, wanneer familiegroepen — soms twintig vogels sterk — langs de bermen foerageren en bij het naderen van een auto eerder wegrennen dan opvliegen. In de winter, na een sneeuwval, is een groep patrijzen op een geploegd stuk akker met resten graan op grote afstand te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in Noord-Amerika langzaam afnemend sinds het midden van de twintigste eeuw, vooral door de omschakeling naar grootschalige, egale akkerbouw met minder overhoekjes, hagen en braakstroken. Plaatselijk, vooral in delen van de noordelijke Great Plains, blijft de soort een gewaardeerd jachtwild met beheerde populaties; elders, zoals in grote delen van Wisconsin, is hij inmiddels grotendeels verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Perdix perdix | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao Perdix, bij de hoenders van het geslacht Tetrao; sinds ze in het geslacht Perdix is geplaatst staan auteur en jaartal tussen haakjes. Perdix is zowel het Griekse als het Latijnse woord voor 'patrijs' — de soortnaam herhaalt dus simpelweg de geslachtsnaam. De typelocatie is 'Europa', later beperkt tot Zweden, ruim buiten het Noord-Amerikaanse areaal dat deze bladzijde beschrijft.