Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Philadelphiavireo
Philadelphiavireo | Vireo philadelphicus
Philadelphia Vireo | Vireo de Filadelfia
De philadelphiavireo is de kleinste vireo van oostelijk Noord-Amerika en de enige met een geheel gele onderzijde zonder vleugelstrepen. Hij broedt in jong loofbos aan de zuidrand van het boreale woud en trekt laat in het voorjaar door, wanneer de meeste zangers al langs zijn.
Geluid
De zang bestaat uit korte frasen van twee tot vier noten, wiezj wiezj wiezj, telkens gescheiden door een pauze van ongeveer een seconde, en wordt in het broedseizoen uren achtereen volgehouden. Hij lijkt sterk op die van de roodoogvireo, maar ligt gemiddeld hoger in toonhoogte en de pauzes tussen de frasen zijn langer; het tempo ligt daardoor lager. In de tekstweergave klinkt hij als tsjerrie-o-wit, tsjerie, sissie-a-wit, tie-o. De roep is een nasaal, aangehouden sjieee. Ook trekkende vogels zingen, vooral in de ochtend.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Stationnement des dunes (near Tadoussac), Côte-Nord, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, compacte vireo met een grijze kruin, olijfbruine bovenzijde en gele onderzijde, waarbij het geel het diepst is op keel en borst. Vleugelstrepen en oogring ontbreken. Boven het oog loopt een witte wenkbrauwstreep, daaronder een donkere streep die van het oog dóór naar de snavelbasis loopt. De snavel is kort en dik met een licht gehaakte punt, de poten zijn blauwgrijs en stevig. De vogel foerageert traag in de bovenste helft van de boom en hangt daarbij regelmatig ondersteboven aan een twijgtop.
Verwarringssoorten
De roodoogvireo is duidelijk groter en langer van snavel, heeft een scherp afgetekend koppatroon met een zwarte rand boven én onder de witte wenkbrauwstreep, een rode iris bij volwassen vogels en een witte onderzijde; geel blijft daar beperkt tot de flanken en de onderstaartdekveren. De orpheusvireo is doffer en mist het geel op de borst, en bij die soort stopt de donkere oogstreep vóór de snavelbasis, terwijl hij bij de philadelphiavireo tot aan de snavel doorloopt. De tennesseezanger is fijner gebouwd met een dunne, spitse snavel zonder haak, en heeft in het najaarskleed helderwitte onderstaartdekveren, die de philadelphiavireo geel heeft. De snavelvorm is bij twijfel het betrouwbaarste kenmerk.
Leefgebied
Jong, dicht loofbos en gemengd bos langs de zuidrand van het boreale woud: opslag van ratelpopulier, berk, els en es, bosranden, herstellende brandvlakten en kapvlakten, met een kroonsluiting van 70 tot 100 procent. Op doortrek zit hij in allerlei bos en struweel, ook in stadsparken. In het winterkwartier gebruikt hij tweede-generatiebos en bosranden van laagland tot in de bergen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en Alberta door Saskatchewan, Manitoba, Ontario, Quebec en de Maritieme Provincies tot Newfoundland, en reikt in de Verenigde Staten tot Noord-Minnesota, Noord-Wisconsin, het schiereiland van Noord-Michigan, Noord-New York en Noord-New England. De vogels komen pas eind mei op de broedplaatsen aan. De trek verloopt breed over het oosten van de Verenigde Staten en de Golfkust; overwinterd wordt van Zuid-Mexico en Belize door Guatemala, Honduras, El Salvador en Nicaragua tot Panama en Noord-Colombia.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans in het oosten van de Verenigde Staten ligt in de laatste week van mei en in de eerste helft van september, in de kruin van hoge loofbomen. Luister naar de zang: de langere pauzes tussen de frasen verraden hem tussen de roodoogvireo's. Kijk vervolgens naar de keel — geel tot in de kin betekent philadelphiavireo, wit betekent roodoogvireo.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer vier miljoen vogels en geeft de soort een score van 9 op 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) liet tussen 1966 en 2015 een toename van ongeveer 2,3 procent per jaar zien; de soort profiteert van jonge bosopslag na kap en brand. Omdat het broedgebied vrijwel geheel in het boreale woud ligt, zijn grootschalige houtkap en de omzetting van bos in het winterkwartier de belangrijkste factoren voor de toekomst.
Wetenschappelijke naam
Vireo philadelphicus | (Cassin, 1851)
Cassin beschreef de soort in 1851 als Vireosylvia philadelphica; omdat ze later naar Vireo is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vireo is een Latijns woord voor een groene trekvogel, afgeleid van virere 'groen zijn'. De soortnaam verwijst naar Philadelphia: het beschreven exemplaar kwam uit Bingham's woods bij die stad, in Pennsylvania. De vogel broedt daar niet; het type was een doortrekker.




