Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roestflankzanger
Roestflankzanger | Setophaga pensylvanica
Chestnut-sided Warbler | Reinita de Pensilvania
De roestflankzanger is de zanger van jonge opslag en verwaarloosd kapland: een vogel met een gele kruin, een wit gezicht met zwarte oog- en baardstreep en een kastanjebruine band langs de flank. In Audubons tijd was hij een zeldzaamheid; de grootschalige kap van het oostelijke oerbos maakte hem tot een van de talrijkste soorten van het Amerikaanse struweel.
Geluid
De bekendste zang is een korte, heldere reeks die in Noord-Amerika wordt weergegeven als pleased, pleased, pleased to MEET-cha, met een scherp geaccentueerde laatste lettergreep; hij dient om een vrouwtje te lokken. Daarnaast is er een ongeaccentueerde, vlakker aflopende versie zonder dat slot, die vooral tegen buurmannetjes wordt gebruikt en gemakkelijk voor de zang van een gele zanger wordt aangezien. De roep is een hard, droog tsjip, zwaarder dan bij de meeste verwanten.
Opname: Mario Reyes Jr — CC BY-NC-SA 4.0 · Raven Run, Fayette County, Kentucky, United States · xeno-canto
Herkenning
Het broedende mannetje heeft een heldergele kruin, een wit gezicht met een zwarte oogstreep en een zwarte baardstreep die naar beneden uitloopt, en een brede kastanjebruine band langs de flank tot op de borstzijde. De rug is grijsgroen met zwarte strepen, de vleugelstrepen zijn geelachtig en de onderzijde is wit. Het vrouwtje is hetzelfde maar bleker, met minder kastanjebruin en een vagere koptekening. Het najaarskleed is geheel anders en goed herkenbaar: limoengroene kruin en rug zonder strepen, een egaal grijs gezicht met een witte oogring, ongestreepte witgrijze onderdelen en twee gele vleugelstrepen. Vaak houdt de vogel de staart iets omhoog, met hangende vleugels.
Verwarringssoorten
In broedkleed is de flankband kenmerkend; alleen het bleke vrouwtje kan op afstand op een vrouwtje van de kastanjezanger lijken, dat echter een zwarte gezichtstekening, brede witte vleugelstrepen en kaneelkleurige onderstaartdekveren heeft. Het najaarskleed is door de combinatie van limoengroene bovendelen, witte oogring en volledig ongestreepte onderzijde van vrijwel alle verwanten te scheiden; de gele zanger is over de hele onderzijde geel en mist de oogring, de prairiezanger heeft een geel gezicht en witte staartvlekken.
Leefgebied
Struweel en jonge opslag in de eerste jaren na kap of brand, verwaarloosd weiland dat dichtgroeit, bosranden en de brede stroken onder hoogspanningsleidingen. Hij vestigt zich al binnen enkele jaren na een verstoring en verdwijnt weer zodra de opslag tot gesloten bos doorgroeit; kleine snippers zijn voldoende. Stad en dorp mijdt hij. In het overwinteringsgebied zit hij in de midden- en bovenlaag van tropisch bos, in secundair bos, langs beken en in schaduwrijke koffieaanplant.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Centraal-Saskatchewan oostwaarts door Manitoba, Ontario, Quebec en de Maritieme Provincies, en in de Verenigde Staten door de Grote Meren-staten, New England en de Midden-Atlantische staten, met een smalle uitloper langs de Appalachen tot Noordwest-Georgia. De trek verloopt over het oosten van het continent en de Golfkust. Overwinterd wordt van Zuid-Mexico en Guatemala tot Panama en het noorden van Colombia, met het zwaartepunt in Costa Rica en Panama, dus grotendeels ten zuiden van dit gidsgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juni in een kapvlakte of onder een hoogspanningsleiding, waar mannetjes vanaf een lage struik zingen en de kastanjebruine flank bij zijlicht al van verre te zien is. In september zijn de limoengroene bovendelen en de witte oogring genoeg; wie dan op het roestbruin wacht, ziet vaak niets, want veel najaarsvogels missen die kleur volledig.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 18 miljoen vogels en de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 12 van 20. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2015 een afname van ongeveer 1,2 procent per jaar zien, samen bijna 45 procent. De oorzaak ligt vooral in het dichtgroeien van het oostelijke bos: naarmate de kapvlaktes van de negentiende en vroege twintigste eeuw tot volgroeid bos uitrijpen, verdwijnt het jonge struweel waarvan de soort leeft. Aanvaringen met gebouwen en masten tijdens de nachtelijke trek vormen een tweede verliespost.
Wetenschappelijke naam
Setophaga pensylvanica | (Linnaeus, 1766)
Carl Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla pensylvanica, naar het herkomstgebied van het beschreven exemplaar; de spelling met één s is de zijne en blijft volgens de naamgevingsregels gehandhaafd, ook al schrijft men Pennsylvania nu anders. De haakjes om auteur en jaartal geven de latere verplaatsing naar een ander geslacht aan. De Engelse en de Nederlandse naam wijzen op de kastanjebruine flankband van het broedkleed. Het geslacht Setophaga werd in 1827 door William Swainson ingevoerd, uit het Griekse ses 'mot' en phagos 'etend': moteneter.




