Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Roodborstlijster
Roodborstlijster | Turdus migratorius
American Robin | Zorzal robín
De roodborstlijster is voor miljoenen Amerikanen de eerste lentebode: een forse lijster met een baksteenrode borst, die op elk gazon met schuin gehouden kop naar wormen loopt te speuren. Het is een van de talrijkste landvogels van het continent, met naar schatting driehonderdzeventig miljoen vogels.
Geluid
De zang is een lang, los gefraseerd lied van heldere fluittonen in korte reeksen — tjieroe tjierup tjierio — dat vaak al voor zonsopgang begint en de hele dag doorgaat. Bij onraad laat hij een scherp, afgebroken tuk-tuk-tuk horen, en bij een overvliegende roofvogel een hoog, aanhoudend gieren. Zijn zang hoort bij de eerste die 's ochtends klinkt en de laatste die 's avonds verstomt.
Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Langford (near Victoria), Capital Regional District, British Columbia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een donkergrijze rug, een zwarte kop en een diep baksteenrode borst en buik, met een gebroken witte oogring en een gele snavel. Het vrouwtje is vergelijkbaar maar valer, met een grijzere kop en minder verzadigd rood. Jonge vogels zijn dicht gevlekt op een roodbruine borst, wat hen een uiterlijk geeft tussen lijster en spreeuw in. In de vlucht is hij te herkennen aan zijn forse gestalte, rechte vleugelslag en zijn gewoonte om laag over gazons te lopen en rechtop stil te staan.
Verwarringssoorten
Gevlekte jonge vogels worden soms aangezien voor een van de kleinere lijstersoorten, maar zijn aanmerkelijk groter en hebben een duidelijk roodbruine ondergrond onder de vlekken. In het westen is de bonte lijster de belangrijkste verwarringssoort: die heeft een even rode borst, maar met een zwarte band erdoorheen en een oranje wenkbrauwstreep. Vrouwtjes en valere herfstvogels worden weleens voor een kramsvogel aangezien door wie de Europese lijsters kent, al ontbreekt bij volwassen roodborstlijsters de spikkeling op de borst volledig.
Leefgebied
Open gazons, akkerranden, parken en tuinen met kort gras om op te foerageren, afgewisseld met bomen en struiken om in te broeden en te schuilen. Buiten het broedseizoen ruilt hij wormen en insecten in voor bessen en trekt hij naar boomgaarden, struweel en bosranden waar die groeien. Hij mijdt dicht, ondoordringbaar bos zonder open grond en de droogste woestijnstreken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Alaska en heel zuidelijk Canada tot in Mexico, en is in het grootste deel van de Verenigde Staten het hele jaar aanwezig; noordelijke vogels trekken 's winters naar de zuidelijke staten en Mexico. De trek verloopt in korte etappes en hangt sterk af van de beschikbaarheid van bessen, waardoor de aankomstdatum in het voorjaar van jaar tot jaar en van plek tot plek verschilt. Het is een van de weinige lijstersoorten die zich moeiteloos heeft aangepast aan een door mensen veranderd landschap, en het gazon van de twintigste eeuw heeft zijn aantallen eerder geholpen dan geschaad.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop vroeg in de ochtend over een grasveld en let op een vogel die stilstaat, zijn kop schuin houdt en dan toeslaat — dat is geen luisteren naar de worm, maar kijken. In de late herfst en winter zijn grote, luidruchtige groepen in met bessen beladen bomen vaak roodborstlijsters, ook ver van elk gazon.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en een van de talrijkste landvogels van Noord-Amerika, met naar schatting driehonderdzeventig miljoen vogels, en de aantallen zijn de laatste decennia toegenomen. Bestrijdingsmiddelen die vroeger op gazons werden gebruikt vormden een historisch probleem, juist omdat de vogel op zulke gazons naar wormen zoekt.
Wetenschappelijke naam
Turdus migratorius | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Turdus] migratorius, in het geslacht Turdus waarin ze nog altijd staat; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. migratorius is Latijn voor 'trekkend', naar zijn trekgedrag. De Engelse naam robin verwijst naar de Europese roodborst, waar vroege kolonisten de vogel qua kleur aan deden denken, al zijn de twee niet verwant. De typelocatie is in de oorspronkelijke beschrijving alleen vaag als 'in America septentrionali' opgegeven en is nooit nader vastgesteld.




